Martin de Groot werkt als zorgcoördinator onze afdeling De Vaart. Hij is een van de mensen met extra veel ervaring bij HVO-Querido. Op 18 oktober gaat hij met pensioen. Op de valreep blikken we met hem terug op zijn lange carrière.
In 1981 is de eerste uitzending van het Jeugdjournaal, wordt Ronald Reagan president van Amerika, trouwen Charles en Diana, zien Beyoncé en Ali B. het levenslicht, demonstreren in Amsterdam 400.000 mensen tegen kernwapens en komt, op 1 juli, Martin de Groot in dienst bij onze organisatie.
Martin de Groot (1952) wordt geboren in Amsterdam en groeit op De Pijp en vanaf zijn twaalfde jaar in Amsterdam Noord. Zijn vader was chauffeur, zijn moeder huisvrouw, ‘want dat ging zo in die tijd,’ vertelt hij. ‘Dat had ook voordelen. Als kind kwam je altijd thuis in een warm nest en er was veel aandacht. Noord was een fijne buurt. Ik zat op de Wingerdschool en had veel vriendjes. We speelden altijd op het pleintje en ik voetbalde bij De Volewijckers.’
‘Na de Havo ging ik naar de Vrije Leergangen van de Vrije Universiteit,’ gaat Martin verder. ‘Dat was een soort lerarenopleiding voor Nederlands en Omgangskund. Voor dat laatste moest je ook stage lopen. Toen heb ik een beetje rond gebeld en Walenburg van HVO zei: kom maar langs. De sfeer en de mentaliteit spraken me aan. Na mijn stage ben ik daar in dienst gekomen. Groepsleider heette dat toen.’
In de jaren ’70 was het anders
Martin benoemt: ‘Het werk was heel anders toen. Een dienst bestond vooral uit orde houden en leuke dingen doen met bewoners, zoals biljarten, kaarten en schaken. Je tapte ook bier, Walenburg had namelijk barretje met een vergunning voor zwakalcoholische dranken. Dit vanuit de gedachte dat bewoners beter daar hun biertje konden drinken dan ergens anders. Dan konden we ze een beetje in de gaten houden.’
Geen methodiek, geen dossiers
‘Het was veel minder bureaucratisch,’ gaat Martin verder. ‘Er was bijvoorbeeld geen intakebeleid. Als er iemand met een knapzak langskwam en er was een kamertje vrij, dan kon hij bij Walenburg komen wonen. De methodiek was: we hebben geen methodiek. Dat was voor bewoners niet altijd onverdeeld gunstig, maar iedereen werd wel in zijn waarde gelaten.’
‘Wij vonden toen dat je niet aan die mensen moest gaan trekken. De meesten waren klaar met therapie, die hadden al in alle inrichtingen gezeten,’ vertelt Martin. ‘We hielden ook geen dossiers bij van bewoners. Als ze iets wilden vertellen dan deden ze dat en anders even goede vrienden. Ze kregen onderdak, eten en aandacht. Het was vrij los allemaal. Pas later kregen we meer contacten met de GGZ.
Wij konden op een onconventionele manier goed met bijzondere mensen omgaan. Net als bij elke alternatieve aanpak is het ook hier niet te zeggen dat het niet hielp.’
Als je het maar doet
Martin: ‘We hadden een bewoner, Jakus, een Hongaar, met een waldhoorn, een heel groot ding. Er waren nog een paar bewoners die iets trommelden, speelden of zongen en toen heeft collega Theo Meijer bedacht om een orkest op te richten. Dat werd het Groot Walenburgs Vuiharmonisch Orkest. Dat was een leuke tijd, zeker voor bewoners. Het geeft niet wat je doet of hoe je het doet, als je het maar doet, was het motto van het orkest en dat stond eigenlijk voor heel Walenburg.’
‘Als je bekijkt wat dat met het zelfvertrouwen van bewoners heeft gedaan,’ benoemt Martin. ‘Ze konden niet of nauwelijks spelen, maar ze stonden wel overal voor groot een publiek op de bühne. Dan huurden we een bus en gingen het land in. Als groepsleider ging je mee en bespeelde het instrument dat voorhanden was.’
Martin: ‘We traden op in discotheken, op studentenfeesten, braderieën en kermissen, maar ook in Carré, Paradiso en het Concertgebouw. Ik heb best vaak meegespeeld en ik heb nog nooit meegemaakt dat we werden uitgelachen of uitgejouwd. Bewoners werden gewaardeerd, dat is heel belangrijk, want als je waardering krijgt, dan groei je.’
‘We hebben een paar singletjes gemaakt, een lp en een cd; we zijn op tv geweest, onder meer bij Showroom. Later is het orkest verstomd, er gingen steeds meer mensen weg en niemand nam het stokje over,’ zegt Martin.
Vrolijke uitvaarten
Martin legt uit: ‘Begrafenissen werden ook vaak fantastische belevenissen. Als er een bewoner overleed, gingen we meestal met een flinke delegatie van Walenburg naar de begrafenis. Als het in Brabant of Groningen was huurden we een bus. Sommige bewoners zongen aan het graf, anderen declameerden iets. We zeiden altijd tegen de nabestaanden: het is een traditie bij Walenburg dat wij de kist dragen. Het werd steevast een vrolijke boel en een uitvaart die niemand snel zou vergeten.’
Beetje helpen
‘Harm van Ruth heeft in 1983 nog de eerste paal van De Vaart geslagen, samen met een heleboel andere bewoners. Harm moest met een grote houten hamer de symbolische eerste paal slaan. Dat ging nogal lastig, dus daar heb ik hem een beetje bij geholpen,’ zegt Martin.
Martin gaat verder: ‘Walenburg was opgezet als een pension voor de wat betere en rijkere thuislozen. Er was nauwelijks begeleiding, want dat hadden de eerste bewoners ook niet nodig. Het waren vaak oudere heren die bijvoorbeeld nog bij hun ouders woonden en alleen kwamen te staan of mannen die altijd gevaren. Rustige, zelfstandige mensen, die zelf hun toko draaiden. Er werd eten uitgedeeld, geen zorg verleend.’

Martin de Groot helpt Harm van Ruth bij het slaan van de eerste paal van Walenburg 2 in 1983, foto Eduard de Kam
Martin: ‘De populatie veranderde op een gegeven moment, eerst kwamen er steeds meer verslaafden op straat, later kwamen mensen uit het gesloten Santpoort in toenemende mate in de maatschappelijke opvang terecht. De doelgroep werd zwaarder, er was meer agressie.’
Aan de boom schudden
‘Je hoefde in die tijd helemaal niet door te stromen,’ legt Martin uit. ‘Uitstroom kwam vooral door het overlijden van bewoners, soms door detentie en een enkele keer door een klinische opname. Het was niet zo dat wij het maximale uit bewoners probeerden te halen. Klanten werden toen veel minder goed geholpen met hun problemen dan nu.’
Maar: ‘Het was wel gezellig. De bejegening was oké. De setting was lekker los en bewoners werden een beetje in de watten gelegd, maar er werd niet aan de boom geschud. Het besef dat groeien betekent dat je stappen moet zetten, was er gewoon niet. De professionaliteit in de zorg is enorm toegenomen, dat is een wereld van verschil. Wij zijn heel anders gaan denken over talenten en kwaliteiten van bewoners. Nu wordt er van meet af aan een appèl op bewoners gedaan en dat is goed.’
Martin bij de ondernemingsraad
Martin benoemt: ‘Sommige mensen zullen mij wel eigenwijs vinden. Ik zeg wat ik denk en vind en voer opdrachten nooit klakkeloos uit. Discussies, ook de stevige, ga ik nooit uit de weg. Als het nodig is, ga ik pal voor mijn team staan. Je moet ook een team kunnen zijn. Samen dezelfde kant op willen en kunnen gaan. Als zorgcoördinator moet je daar ook voor zorgen. Als mensen vinden dat ik zeur, het zij zo, het gaat mij om de kwaliteit.’
‘Ik heb niet toevallig ruim tien jaar in de Ondernemingsraad gezeten,’ gaat Martin verder. ‘Eerst in die van HVO, na de fusie met Querido in de gecombineerde OR. Mijn finest hour in de OR was wat mij betreft de opvolging van Ton Banning als algemeen directeur van HVO. Er was een gedoodverfde kandidaat, een kroonprins plus coterie, en die was volgens de OR en een groot deel van de medewerkers niet geschikt, dus wij hebben die benoeming verhinderd. In het belang van de toekomst en de continuïteit van de organisatie. Toen kwam er een directeur van buiten, Jaap Fransman, en kon er een goede structuur worden neergezet. Zo is professionalisering van HVO-Querido begonnen. Als directie heb je weerwoord nodig, geen jaknikkers, tegenspraak geven is een van de rollen van de OR.’
Meer samenhang
Martin benoemt: ‘HVO-Querido is nu meer dan vroeger een eenheid, maar het kan nog beter. Zo hebben we nu de duobegeleiding, als overgang van De Vaart naar het Ambulante team. Het loont om de begeleiding van de bewoner van begin tot eind als een samenhangend geheel te zien en de hulp van verschillende professionals en teams dus heel goed op elkaar te laten aansluiten.
Investering
‘Ook een goede structuur is heel belangrijk,’ gaat Martin verder. ‘Dat bieden wij bewoners van De Vaart ook. Wij leren ze om in de gewone maatschappij te functioneren. Dat vereist andere skills dan die van de straat. Je moet dus leren omgaan met zoiets als bureaucratie, maar ook met buren en collega’s. Ik pleit dan ook voor een goede screening voordat mensen zelfstandig gaan wonen. Dat voorkomt overlast in de omgeving en een hoop teleurstelling bij bewoners.’
‘De Vaart staat bij thuislozen goed bekend als een plek waar je echt weer iets van je leven kunt maken,’ benoemt Martin. ‘Een plek waar je heel goed leert om de draad weer op te pakken en waar je daar serieuze ondersteuning bij krijgt. Als je dat soort dingen van je doelgroep hoort, weet je dat je werk zinvol is. Dat zinvolle werk heb ik nu 35 jaar gedaan, daar kijk ik met een goed gevoel op terug.’








