Nieuws

Afscheid Theo Meijer

Organisaties hebben baat bij herkenbare persoonlijkheden die fungeren als boegbeeld. Zo is majoor Bosshardt jarenlang met succes opgetreden als het gezicht van het Leger des Heils. HVO-Querido kent minder van dergelijke iconen. Hoewel, wij hebben bijna dertig jaar lang kunnen profiteren van het onnavolgbare fenomeen Theo Meijer.

Theo Meijer (Amsterdam, 1944) maakte als baby gebruik van de schuilkelder op de plek waar nu Walenburg is gevestigd. Na een wat ongebruikelijke opleiding (lagere school ‘helemaal afgemaakt’, een jaar horeca vakschool, de commando’s en drie jaar filosofie) komt Meijer in 1971 weer bij HVO terecht. Een soort thuiskomst.

De commando’s?
Een vergissing. Ik had me opgegeven voor de marine. Komt er een vent naar me toe die schreeuwt: ‘Morgen melden in Roosendaal!’. En vervolgens tien maanden aan de Oost-Duitse grens. Ik ben daar tegen in beroep gegaan en pas aan het eind van mijn diensttijd in het gelijk gesteld. Ze hadden mij verwisseld met een andere Theo Meijer. Die schijnt ook te bestaan. Rare jongens, die commando’s, ze maken je midden in de nacht wakker, moet je uit bed en het volkslied zingen. Dus daar was ik op een gegeven moment heel goed in. Lagen we ergens op de hei, schopte ik ‘s nachts een hoge ome wakker en vroeg poeslief: zal ik het Wilhelmus nog even voor u zingen?

Hoe kwam je bij HVO?
Toen ik studeerde had je of rijke ouders of een baantje. En ik had baantjes. Onder andere bij HVO. Ik werd aangenomen door meneer Bink. Ik had gesolliciteerd (schriftelijk) en werd afgewezen (telefonisch). Dat kan natuurlijk niet, dus ik er heen; wel een paar keer. Of ze mij netjes een brief wilden sturen. Bink vroeg wat ik daar toch steeds deed. Een paar dagen kwam er een brief: of ik nog even langs wilde komen. Kunt u koken?, vroeg Bink. Jawel, zeg ik, maar het is niet mijn stiel. En toen was ik half kok, half sociaal-assistent. Machtig mooi, met van die grote ketels en veel contact met bewoners.

Hoe kwam je bij Walenburg?
Toen ik daar kwam zeiden ze, we zijn bezig een kok te werven, dus als jij nu vast even begint, ben je d’r zo vanaf. Dat heeft veertien jaar geduurd! Werkweken van 60 uur. Ik betrok bewoners er bij, dat was toentertijd vrij nieuw. Toen meneer Te Pas directeur werd, is het model Walenburg geboren, gebaseerd op doorstroming. Een unieke mogelijkheid tot resocialisatie. Je kunt eruit halen wat erin zit en als dat niet lukt, kom je dat vanzelf halverwege tegen. Je bereikt voor de cliënt het maximaal haalbare en dat niveau accepteer je. Dat is nu mijn grote zorg. Het doorstromen lijkt een doel op zich. Iedereen wil scoren. In internaten en pensions is er altijd een groep grijze muizen die blijft zitten. Die kunnen niet doorstromen en zitten in de weg. We moeten dus met z’n allen meer capaciteit creëren, anders lopen die mensen op straat. Wij helpen immers iedereen die zich tot ons wendt. Of ze nu verslaafd zijn of schizofreen, of beide.

Wat is een goede hulpverlener?
Iemand met gevoel voor humor die ad rem kan reageren.

Wat is jouw stijl?
Als je iets wilt, moet je het zelf doen. Niet zeuren en wachten. Een fijn plan voer je direct uit. Goeie ideeën verzanden vaak in vergaderingen en overlegjes. Je moet zorgen dat het niks kost. Of dat je het zelf kunt regelen.
Zo ging dat met het Vuilharmonisch Orkest. We zeiden ‘kom, we beginnen een orkest’, ritselden wat instrumenten en een week later was het eerste optreden.

Welk verhaal uit de praktijk vertel je aan je kleinkinderen?
Dat zijn er veel te veel, ze zien me aankomen. Ik ben er altijd trots op geweest voor HVO te werken. En trots op het product dat we leveren. Wat me sterk bijblijft, is de dood van cliënten. Ik heb al aan heel wat sterfbedjes gezeten. Vaak als enige. Dat zie ik als een voorrecht van mijn werk, dat je in die positie bent. Dat laat zich niet in geld uitdrukken. Op die momenten ontstaan vaak hele fijne gesprekken. Het zijn mijn cliënten en dat werk maak je af. Met een ploegje bewoners op bezoek bij een cliënt in het ziekenhuis. Gaan ze allemaal als een gek koffie zetten, bloemen schikken en het hoofdkussen nog eens opschudden. Soms wel twintig keer achter elkaar, dus dat moet je dan weer een beetje remmen.

Verveel je je al?
Welnee. De telefoon staat roodgloeiend met mensen die iets van me willen. Ik kijk nu rond en ga over een tijdje vrijwilligerswerk doen.

Ik geef gastcolleges aan de sociale academie en voor aankomende psychiaters. Die stellen altijd onnozele vragen. Ze denken nooit aan de gewone gezond verstand oplossing. Mijn succes is deels te danken aan het feit dat ik voor elk type probleem weet welk type hulp daarop past. En door wie. De persoon van de dienstdoende psychiater is heel belangrijk. Uiteindelijk gaat het gewoon om mensen. Ik kan toevallig goed omgaan met mensen uit de psychiatrie. Het is mijn voordeel dat ik niet ben gebonden aan medisch ethische overwegingen. Daardoor kan ik heel ver met mensen meegaan in hun waan. En als je dat een tijdje doet, weet men je te vinden. Dan komen ze met allerlei psychiatrische types naar je toe en vragen ‘kan jij daar wat mee?’ Je bent in een uitzonderlijke positie als je het vertrouwen van cliënten hebt. Als ik me terugtrek op de stelling ‘ik ben hulpverlener, jij bent patiënt’, zal hij zich altijd als psychiatrisch patiënt blijven gedragen en vis je achter het net. Je moet verder gaan, dan kun je iemand ook zonder medicatie door z’n psychose heen helpen.

We hadden in Walenburg een vent met een denkbeeldige hond. Men vond dat raar en niemand wist er raad mee. Toen zei ik: ‘als je zo doorgaat, bel ik de dierenbescherming, je zit altijd binnen, dat beest wil d’r uit’. Maar hij was bang dat de hond weg zou lopen. Dus wij met z’n tweeën naar buiten. Met de hond. En zo kwam die man voor het eerst sinds jaren weer buiten. Hij was heel eenzaam en projecteerde die gevoelens in een virtuele viervoeter. Wie ben ik dan om dat beetje geluk weg te halen? Daar moet je een tijdje in meegaan. Hij merkt dat ie van mij de aandacht krijgt en die hond wordt steeds transparanter en verdwijnt tenslotte. Je begint met iemand serieus te nemen om vertrouwen te winnen. Vervolgens moet je dat vertrouwen waarmaken. En dat is iets wat ze in de psychiatrie niet kunnen en niet willen. Men zegt ‘onzin, d’r is geen hond en met medicatie is het zo weg’.

Wat is jouw motivatie?
Mijn kracht ligt in het omgaan met mafkezen van de straat. En in het opzetten van nieuwe dingen. Daar put ik arbeidsvreugde uit. Zo heb ik aan die wieg gestaan van de koude opvang. Mijn rol was het leveren van mensen. Dus reed ik ‘s avonds en ‘s nachts met een autootje rond. Mensen oppikken. Dat heb ik 15 jaar gedaan. Meestal in m’n eigen tijd. Als alles vol was, bleef ik de hele nacht rondrijden. Lekker warm met de kachel aan.

Hoe bejegen jij verslaafden?
Ze hebben ze één keer m’n autoradio gejat. Ik kwaad: mijn radio terug! Dat had ik beter niet kunnen zeggen, want in no time had ik wel twintig autoradio’s. Ook de mijne. In nachtopvang Zuidoost is de eis drugsverslaving en een band met het stadsdeel. Sinds de overname door HVO zit de tent elke nacht vol. Daar zijn wij voor. Werken met deze jongens draait om overwicht en sympathie. Cliënten respectvol en als mens behandelen, dan krijg je dat terug.
Als ik ‘s avonds aankwam riep ik: ‘Goedenavond, zijn we allemaal nog verslaafd? Mooi, dan mogen jullie allemaal blijven’. In Walenburg riep ik ‘s ochtends altijd: ‘Goedemorgen, lieve mensen’. Dat kost niks en wordt gewaardeerd. Men weet dat je binnen en aanspreekbaar bent. Mensen konden gewoon bij mij binnenlopen. Problemen gaan bijna altijd over geld. Dus als iemand langskomt omdat ie z’n geld wil, kun je zeggen ‘J krijgt het niet, morgen is het betaaldag, oprotten’ en dan heb je een probleem. Je kunt ook zeggen ‘ik heb buitengewoon goed nieuws voor u, want morgen is het juist betaaldag’.

Waar ligt jou verbondenheid?
Ik ben een dak- en thuislozen man en in die zin verbonden met het grotere geheel. De indeling in sectoren vind ik goed. Het komt cliënten ten goede. De integratie met Querido is voor beiden een verrijking. We moeten af van rivaliteit tussen afdelingen waarbij De Veste zich beter voelt dan Walenburg terwijl Walenburg De Veste weer een hoogdravend zooitje vindt.

Niet een klein beetje cynisme na 30 jaar hulpverlening?
Nee, absoluut niet. Prostitutie is het oudste beroep en dak- en thuisloosheid is het oudste probleem. Het zal er altijd blijven. Dat moet je accepteren. Er vallen altijd mensen buiten de poppenkast. Ik vind het geweldig dat er een instelling bestaat – niet gehinderd door culturele achtergrond of geloofsovertuiging – die zich het lot van deze mensen aantrekt. Ik pleit wel voor een snellere intake. Eerst een basisvoorziening en later de intake. Tijdens zo’n praatje zitten die gasten toch te ouwehoeren. Ze weten donders goed wat we willen horen. Een goed gesprek voer je pas na drie maanden. Dan is helder wat de verslavingsproblematiek is – die wordt in het begin ontkend of afgezwakt – dan zijn de deurwaarders langs geweest, kortom dan weet je ongeveer wat het probleem is.

Wat zou je doen als je algemeen directeur was?
Ik zou me bemoeien met CAO onderhandelingen en beloning. We hebben gemotiveerd personeel dat hard werkt, maar de verdiensten zijn op z’n zachtst gezegd belabberd. Dat lijkt me een uitstekende klus voor Jaap Fransman. Ik kan me niet voorstellen dat mensen ‘nee’ tegen hem kunnen zeggen.

Zie ook het artikel De wereld kloppend maken van Ineke Jungschleger in de Volkskrant van 16 juni 2000.

 

 

 

 

Reacties ( 3 )

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *