Kinderboeken hebben altijd een maatschappelijk thema. Dat is nu zo en dat was vroeger ook het geval. In Petro, de acrobaat uit 1929 raakt de jonge titelheld in problemen verzeild, maar komt er dankzij Hulp voor Onbehuisden weer helemaal bovenop.

Alleen op de wereld
In de mijnstreek in Zuid-Limburg wonen een man en een vrouw en hun enig kind, Petro. Een lief jongetje ‘met een paar leuke bruine kijkers.’ Al op de eerste bladzijde slaat het noodlot toe. De vader van ‘ons leuk kereltje’ wordt het slachtoffer van een mijnongeluk en tot overmaat van ramp sterft kort daarop ook zijn moeder. Petro is alleen op de wereld.
Woonwagen
Hij komt terecht bij, uiteraard ‘wreede’, stiefouders. De schrijver laat er geen enkel misverstand over bestaan: het zijn ‘slechte mensen’. Ze zijn ‘hardvochtig en onverschillig’. De man is aan de drank en ‘ook de vrouw deugde niet.’ Met hen stroopt hij circussen en kermissen af waar Petro vooral bezig is om aan de ‘striemende slagen van den slechten kerel’ te ontkomen. Onze knaap is ‘feitelijk een echte woonwagenjongen geworden’. En daar bedoelt de auteur niks avontuurlijks of sprookjesachtigs mee.
Weggelopen
Na de zoveelste aframmeling tijdens een voorstelling in een dorpscafé loopt Petro weg, springt op een vrachtwagen en komt, nog altijd in zijn acrobatenpak, in Amsterdam terecht. Daar wordt hij al snel opgemerkt door een vriendelijke politieagent die hem meeneemt naar het Bureau Kinderpolitie waar Petro zijn verhaal doet. Hij vindt ‘den Commissaris zoo’n aardigen man, dat hij alles, alles vertelde, zoodat hem bijwijlen de tranen in de oogen glinsterden.’
Terecht in het Observatiehuis van HVO-Querido
De politie bepaalt ‘dat de knaap voorloopig maar in een jongenshuis, het “Observatiehuis,” zoals het in werkelijkheid heet, zou worden opgenomen.’
Voor alle duidelijkheid: er is in Amsterdam slechts één Observatiehuis en dat is sinds 1914 dat van Hulp voor Onbehuisden aan de Vosmaerstraat 1. Het pand staat er heden ten dage nog altijd, maar is sinds 1957 niet meer van onze organisatie.
Vriendelijk
Petro komt bij het Observatiehuis, ‘een héél groot gebouw; tenzij ervan bevindt zich een hooge muur,’ en wordt er ‘allervriendelijkst’ ontvangen door de directeur, die hem zegt:
‘Nu, beste jongen! Nu blijf je hier voorlopig bij ons in dit huis, waar veel meer jongens zijn, wat je zeker wel heel prettig zult vinden. Doch eerst moet je even alleen wonen, dan kun je hier wat gewennen en dan later mag je van alles meemaken, wat de andere jongens hier doen.’
Hij krijgt een bad, nieuwe kleren van grijze stof, want ‘de kinderen hier zijn allemaal precies eender gekleed’. Zijn haar wordt kortgeknipt met een tondeuse door ‘ook weer een vriendelijke, goede man’. De adjunct-directeur van het tehuis brengt hem naar zijn kamer. Petro krijgt papier, inkt en een pen om iets uit zijn leven op te schrijven.
‘Daar zat onze kleine zwerver nu.’ Petro vindt iedereen in het Observatiehuis buitengewoon aardig, het eten is er lekker en in ‘zoo’n fijn ledikant had hij nog nooit in zijn leven geslapen.’
Lekker eten
Na tien dagen observatie komt hij in een groep met ruim twintig jongens van ongeveer dezelfde leeftijd. ‘“Wat fijn!” juichte Petro.’ De ‘groepsleider – zoo werd de leraar in het jongenshuis genoemd,’ is ook al vriendelijk en gemoedelijk. Alles verloopt ordelijk en precies volgens de regels. Als het tijd is om naar bed te gaan, marcheren de jongens, naar de slaapzaal, waar vier rijen van zes ledikanten staan. De jongens doen alles samen, ze gaan intern naar school, ze krijgen les in timmeren en soms spelen ze even op de binnenplaats.
In de eetzaal, er staan ‘capucijners met dobbelsteentjes spek’ op het menu, bedenkt Petro dat hij ‘nimmer tevoren zoo heerlijk gegeten’ heeft. Op zondag mogen ze zelfs naar muziek op de radio luisteren.
Petro heeft geen enkele klacht over het Observatiehuis. Hij vindt alles fijn, prettig, aardig, leuk, lekker, heerlijk, mooi en bijzonder. ‘Onze kleine zwerver’ lijkt van de hel in de hemel te zijn gekomen.
Nooit vergeten
Na een klein half jaar wordt hij bij de directeur geroepen. ‘En hoe zou je het nu wel vinden, Petro, als je het jongenshuis ging verlaten om voortaan naar heel brave mensen in de provincie Friesland te mogen gaan, die je geheel als hun eigen kind in hun gezin zullen opnemen?’ Hoezeer Petro het ook naar zijn zin heeft in het Observatiehuis, hij stort zich vol overgave in dit nieuwe avontuur en vertrekt een dag later met een voogdijambtenaar naar Friesland. Bij het afscheid van zijn groepsleider moet hij even huilen. ‘Je zult ons hier wel niet vergeten, is ’t niet?,’ zegt deze. ‘Nooit meneer! Nooit,’ snikt Petro.
Ze gaan met de trein naar Enkhuizen, vandaar met de boot naar Stavoren, dan weer met de trein naar Leeuwarden en tot slot met een bus naar het dorp Waarsum, waar Petro bij de familie Sietsma komt te wonen. Onze kleine held is inmiddels elf jaar en hij vindt het er meteen erg leuk. Zijn aardige nieuwe pleegouders noemt hij ‘tante’ en ‘oom’ en hij heeft een lief zusje van negen: Sytske. Petro voelt zich al snel thuis in Friesland. Hij maakt vrienden, leert Fries, springt met een polsstok over sloten, zeilt, vist, kaatst en zoekt kievietseieren, hij wordt kortom een ‘gewone dorpsjongen.’
Over de schrijver
Uiltje Gjaets Dorhout (1879-1959) wordt geboren in het Friese Warga. Hij werkt in de omgeving van Hoorn als reclasseringsambtenaar en later als inspecteur voor bijzondere jeugdzorg. U.G. Dorhout schrijft vanaf 1908 diverse artikelen over zijn geboortestreek en romans en kinderboeken die zich grotendeels afspelen in het Friese merengebied. Ook publiceert hij reisgidsen. Zijn bekendste werk is Volk aan den Plas, een boek van de Friesche meren, uit 1941. Dorhout komt in 1927 namens de Vrijzinnig Democratische Bond in de gemeenteraad van Hoorn.
Waarsum, het plaatsje waar Petro terecht komt, is een fictief dorpje. Uit de in het boek genoemde geografische namen uit de directe omgeving, zoals Holstmar, Lytse mar, Hempenser mar, Foudering, Graft en Wartena, lijkt het echter om Warga te gaan, niet toevallig de geboorteplaats van de schrijver. In Petro, de acrobaat komen zo twee passies van Dorhout samen, zijn werk in de jeugdzorg en zijn levenslange fascinatie voor Friesland.
Over de illustratoren
De graficus en kunstschilder Johan (Johannes Godefridus) Kesler (1873-1938) maakte de zwart-wit illustraties in het boek.
De avontuurlijke Han (Henri Christiaan) Pieck (1895-1972), de broer van de bekende Anton Pieck, tekende het kleurige omslag. Han Pieck was behalve tekenaar en illustrator onder meer spion voor de Sovjet-Unie en verzetsstrijder.
Wat Hulp voor Onbehuisden er van vindt
In een korte bespreking van Petro, de acrobaat in het tijdschrift van Hulp voor Onbehuisden schrijft P.C. Faber, op dat moment directeur van de Vrouwen- en kinderafdeling van HvO: ‘Het is een eigenaardig genoegen om een boek te lezen, geschreven door iemand die behoort tot je kennissen en een boek dat toestanden beschrijft die je volkomen kent.’ Faber weet waarover hij het heeft, hij begint namelijk in 1927 bij Hulp voor Onbehuisden als adjunct-directeur van het Observatiehuis.
Hoe Petro bij HvO terecht komt, geschiedt volgens Faber ‘op een wijze die we in de kinderbescherming nog niet kennen.’ De jongens worden namelijk door de kinderrechter in het Observatiehuis geplaatst en niet door een politieagent langs gebracht.
Maar ondanks dat vindt Faber vindt het een goed boek en ‘het verblijf in het Observatiehuis wordt aardig beschreven; het leeft en het klopt wel op de toestanden van enige jaren terug.’
Meer weten over de geschiedenis van de panden van HVO-Querido?
- Ontdek de rol van het Observatiehuis in ‘Ciske de rat’
- Annie en Joke vertellen: Hoe was het om in 1950 in het Marijkehuis te wonen?
- Ans vertelt: Hoe was het om in 1957 in het Marijkehuis te wonen?
- Ben vertelt: Hoe was het om in 1960 in het Marijkehuis te wonen?
- Marion vertelt: Hoe was het om in 1962 in het Marijkehuis te wonen?
- Ellen vertelt: Hoe was het om in 1963 in het Marijkehuis te wonen?








