Nieuws

Onzichtbaar aan de zelfkant

Veel mensen denken dat het in de schone letteren altijd om moeilijke en verheven onderwerpen draait, dat literatuur zwaar is en bovenal saai. Toch zijn er ook verhalen en romans waarin het volle leven en het straatrumoer van de pagina’s spatten, zoals in Café De Waarheid van Mark Boog, dat speelt onder daklozen.

De roman Café De Waarheid van Mark Boog speelt in Utrecht. Op het eerste gezicht lijkt het een bekend hedendaags en herkenbaar decor. Mensen kijken voortdurend op hun beeldscherm en luisteren vooral naar wat uit hun oortjes komt. Toch is het niet helemaal het Utrecht dat we kennen, het is eerder een parallelle wereld die er bedrieglijk veel op lijkt. Misschien hebben we hier wel te maken met het aan populariteit winnende genre van de dystopie.
Zo ligt de restauratie van de ingestorte kathedraal stil omdat ‘het nieuwe staatshoofd andere prioriteiten heeft gesteld.’ Religie is verboden. De gevangenis heeft de rol van de psychiatrische inrichting overgenomen. Er lopen veel soldaten op straat die volkomen willekeurig mensen oppakken. Achter het station is een groot afgesloten tentenkamp voor vluchtelingen. Nieuws over de buitenwereld verschijnt op lichtkranten, met koppen als ‘Vijand schendt bestand’ en ‘Troepenbewegingen aan de grens.’

Afvoerputje

In café De Waarheid, het ‘afvoerputje van de nacht,’ ontmoet Jim, de hoofdpersoon en ik-figuur in de roman, bijna elke avond zijn drie vrienden, al is vrienden misschien een groot woord. Het zijn buitenstaanders die elkaar ooit op de middelbare school hebben gevonden. Toch weten ze heel weinig van elkaar, ze houden borrelpraatjes, ze herkauwen anekdotes en ze drinken samen bier, heel veel bier. Het morsige café is de enige plek in de stad waar ze niet op hun hoede hoeven te zijn. Het is een vrijplaats buiten de werkelijkheid.

Onaangepasten

Ondanks de wat sombere setting is Café De Waarheid het montere verhaal van de teloorgang van Jim. Ondanks alle tegenslag houdt hij de moed erin. Jim is een werkloze alcoholist, verlaten door zijn vrouw. Gas en licht zijn afgesloten en het halletje van zijn woning ligt zo vol met ongeopende post dat de deur nauwelijks meer sluit. Jim besluit de ontruiming niet af te wachten, verlaat zijn woning en begint aan een zwervend bestaan. Waar moet hij naartoe?

‘Opvang voor tijdelijk of langdurig daklozen bestaat al jaren niet meer, voor zover ik weet, niet van overheidswege geregeld, natuurlijk niet, en niet door vrijwilligers of weldoeners – verboden of minstens ontmoedigd.’

‘Ik weet dat er geen opvang is, niet zoals vroeger. Waarom zou die er wel zijn? Iedereen die dat wil heeft werk, iedereen kan wonen. De zieken worden verpleegd, de ouden verzorgd, de jongen geschoold. Blijven alleen de onaangepasten over. Die worden aangepast.’

De enige voorzichtige vorm van verzet wordt geboden in de vorm van een clandestien pension voor daklozen, een doolhof vol stapelbedden, waar onze hoofdpersoon zich echter niet op zijn gemak voelt.

Zwervers bestaan niet

In een stil doodlopend steegje achter de kathedraal vindt Jim een slaapplaats en gezelschap in de vorm van Marie en haar hondje. Marie is de vrouw uit het gelijknamige lied van Townes Van Zandt: ‘In my heart I know it’s a little boy, hope he don’t end up like me,’ het motto van de roman. Dus we weten hoe dat afloopt.
Elke dag keert hij terug naar die plek die hij gaandeweg thuis noemt en waar hij een alledaagse huiselijkheid creëert. ‘Zwervers bestaan niet, dat weet iedereen. Het is een van de maatschappelijke problemen die de laatste jaren met wortel en tak zijn uitgeroeid,’ echoot Jim de propaganda van de staat. Toch is hij nu zelf een van de ‘dak- en richtinglozen’ geworden en dwaalt hij door de stad.

Alsof ik lucht ben

De ontkenning van het bestaan van mensen die niet zijn aangepast, leidt tot onzichtbaarheid. De mensen op straat zien geen daklozen, zelfs de soldaten kijken niet naar ze op of om. ‘Ik word genegeerd en bijgevolg besta ik niet,’ aldus de hoofdpersoon. ‘Ik lijk op de een of andere geheimzinnige manier zelfs wel onzichtbaar. Horden mensen passeren me zonder me een blik waardig te keuren.’ Als hij vies en stinkend in de rij staat in een winkel doen mensen of ze niets merken, ‘het is alsof ik er niet ben’ en ‘alsof ik lucht ben.’ De hoofdpersoon is bang dat hij inderdaad niet bestaat, want ‘niemand ziet ons, niemand schenkt ons enige aandacht.’

Overeind houden

Niet voor niets heet de roman op de achterflap ‘een ode aan de stad’. Jim komt nooit buiten de stad, zelfs niet buiten het centrum. Hij mijmert vaak over het wezen van de stad. Volgens hem definiëren daklozen de stad. ‘We belichamen de stad, we zijn de stad. Onze gegroefde, doorleefde koppen en lijven, die door niemand gezien worden, zijn als de historische vermoeide gebouwen, veelal in onbruik geraakt, die de stad haar karakter verlenen.’ De stad is zijn natuurlijk habitat, ‘daarom zou de stad zonder mij en mijn soortgenoten niet meer dezelfde zijn.’
Dakloze mensen zijn van vitaal belang voor de stad volgens de hoofdpersoon, want ‘wij, de zwervers en de dronkenlappen en de zonderlingen. Wij zijn de belichamingen van de steden die we bevolken, nee: die we overeind houden. Zonder ons is de stad een kille machine.’

Over de auteur

Mark Boog (1970) publiceerde eerder veel poëzie waarvoor hij diverse prijzen ontving. Café De Waarheid, zijn zevende roman, verscheen in 2018 bij uitgeverij Cossee in Amsterdam.

 

 

Reacties ( 0 )

    Geef een reactie

    Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *