De Skaeve Huse in het westelijk havengebied van Amsterdam zijn een kleinschalig woonproject, gebaseerd op een Deens model. Skaeve Huse betekent letterlijk ‘scheve huizen’, voor mensen die in een gewone buurt extreme overlast veroorzaken.
Wie wonen er in Skaeve Huse?
Wat doe je met mensen die regelmatig voor overlast zorgen in de buurt waarin ze wonen? Die niet passen binnen maatschappelijke opvang? Zij worden vaak heen en weer geschoven tussen woningcorporaties en maatschappelijke opvang. In Amsterdam vinden zo’n 30 huisuitzettingen per jaar plaats wegens extreme overlast. Tijd voor een alternatief dus: Skaeve Huse! In de Houthaven staan vijf individuele woningen die allemaal onderdak bieden aan één persoon. Daarnaast is er een beheerdersunit, bedoeld voor de woonbegeleider van HVO-Querido en voor de twee huismeesters van AWV en De Key die afwisselend toezicht zullen houden op het terrein.
Wist je dat…
De oprijlaan naar de Skaeve Huse is de ‘Jan Frankelaan’ gedoopt. Het bord is onthuld door zijn zoon en naamgenoot Jan Franke junior. Jan Franke is in januari plotseling overleden en was tot die tijd een bekend en begeesterd figuur binnen de volkshuisvesting. De SEV (Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting) had hem ingehuurd als landelijk aanjager van het Skaeve Huse-project. Ook bij ons Amsterdamse project is hij tot eind 2006 nauw betrokken geweest.
Hoe is het om in een Skaeve Huse te wonen?
Anton Kühr (Amsterdam, 1948) is een van de vijf bewoners. Van oktober 2008 tot mei 2009 was hij een van de vier deelnemers aan de tentoonstelling Mijn huis zit in mijn hoofd in museum Het Dolhuys in Haarlem.
‘Ik vind de Skaeve Huse een heel leuk project,’ vertelt Anton. ‘Je bent lekker vrij. Het zou alleen wat groter moeten zijn. Dan kan ik mijn creativiteit beter kwijt. Daar ging die tentoonstelling ook over. Hoe je zou willen wonen. Wat voor meubels je zou willen. Ik verzamel kunst en curiosa, dus ik heb veel ruimte nodig. Sinds ik hier woon ben ik dat benauwde kwijt en ben ik toch wel een ander mens geworden. De buurt heeft helemaal geen last van ons. En weet je, sommige jongens hier zijn netter dan de hele buurt samen.’
Hoe is Anton in een tentoonstelling beland?
Tot zijn veertiende jaar wilde Anton graag naar de balletschool. Daarna ambieerde hij een carrière in de mode en ging naar de Charles Montagne academie. Hij vertelt: ‘Ik ben ook nog op De Rotterdamse Snijschool geweest. Daar leer je de grondbeginselen van het maatwerk. Toen heb ik bij verschillende hoedenontwerpers gewerkt, zoals Co Hovingh en Peter Voorn, en later bij modeontwerper Peter Rozemeijer. Die had toen veel succes in Amsterdam. Nu werk ik in een modewinkeltje hier vlakbij, in de Spaarndammerstraat. Tja, wat moet ik ervan zeggen? Er wordt veel in elkaar gestikt, laten we het daar maar op houden.’
Zie hierover ook Zorg + Welzijn van juni 2008.
(jaarverslag HVO-Querido 2008)

