Nieuws

Mensen moeten elke dag overwegen te vertrekken om zelf iets te bedenken

02 maart, 2002

Walter Kamp en Cees van der Meer zijn beleidsambtenaren bij de Dienst Welzijn Amsterdam (DWA) afdeling Maatschappelijke en Gezondheidszorg (MGZ). DWA is eigenaar van het pand aan de Tweede Boerhaavestraat waarin het passantenhotel zal worden gevestigd en opdrachtgever tot de bouw.

Walter Kamp: ‘In 1997 vond het tel- consumentenonderzoek door Léon Deben van de Universiteit van Amsterdam zo’n 200 mensen op straat. Desgevraagd gaven 150 van hen te kennen dat er geen plek was in de opvang. Er was in Amsterdam te weinig kortdurende nachtopvang. Op basis daarvan heeft de gemeente besloten 150 extra plaatsen te financieren. Toen is een al ouder plan van HVO-Querido nieuw leven ingeblazen: het passantenhotel. De zestig plekken in het hotel maken deel uit van die uitbreiding. Het passantenhotel is voortgekomen uit de wens tot diversiteit.

Weinig zorg

Laten we nou niet weer van die stapelbedden gaan bedenken, maar een hotel-achtige vorm, gericht op daklozen die wel onderdak maar weinig zorg nodig hebben.
Door het gebrek aan voldoende nachtopvang krijgen de mensen met veel problemen doorgaans voorrang. Verslaafden, psychiatrische patiënten, mensen die de zorg het meest nodig hebben. De groep die zichzelf aardig kan redden komt daarmee in de verdrukking. Dat zijn de daklozen die geen zorggerichte benadering nodig hebben maar eenvoudige opvang. Mensen die zelf veel kunnen en daar ook op worden aangesproken.

Gasten, geen bewoners

We hebben het idee van een passantenhotel voorgelegd en getoetst aan de daklozen zelf, via belangenorganisaties. We hebben gevraagd hoe zo iets er uit zou moeten zien, wat het moet kosten en hoe lang de verblijfsduur moet zijn. Op basis daarvan hebben we een programma van eisen gemaakt en voorgelegd aan HVO-Querido en het Leger des Heils. Kijk, dit zijn de wensen van de doelgroep, ga je gang.

Walter Kamp en Cees van der Meer voor het passantenhotel dat wordt verbouwd

Walter Kamp en Cees van der Meer voor het passantenhotel dat wordt verbouwd

Niet permanent

Eigenlijk moeten gasten van het passantenhotel elke dag de afweging maken of ze nog een nachtje blijven. Het is een hotel, geen voorziening voor permanente bewoning. Je kunt daarom maximaal voor een week reserveren. Er staat hotelmeubilair en het is niet de bedoeling dat mensen hun eigen kamer gaan inrichten. Het blijft een gesubsidieerde voorziening voor dak- en thuislozen. Mensen moeten er een week of een paar weken zitten en dan zelf weer iets bedenken.
Het passantenhotel is een boeiend experiment. Het is de enige voorziening van deze aard in Nederland. We moeten dat maar eens goed bij gaan houden. Hoe loopt het, wie gebruikt het, hoe lang, wat zijn de verwachtingen etc. Dat lijkt me een prachtig onderzoek voor de universiteit.’

Uitbreiding

Cees van der Meer: ‘Het passantenhotel is onderdeel van de capaciteitsuitbreiding nachtopvang. We hebben in het begeleid wonen ook flink uitgebreid. Het Leger des Heils creëert nieuwe plekken aan de Plantage Doklaan. We zijn nog in overleg of dat in de vorm van een hotel moet of meer in de richting van crisisopvang. Alle nachtopvang in de hotelvorm lijkt ons niet gewenst. Niet iedereen is tenslotte in staat om behoorlijk voor zichzelf op te komen. Om in aanmerking te komen voor een plek in het passantenhotel moet je als dakloze wel wat in je mars hebben. Het is een voorziening voor mensen zonder ernstige problematiek. Mensen die er bijvoorbeeld een baan bij kunnen hebben.

Het passantenhotel in wording in de Tweede Boerhaavestraat

Het passantenhotel in wording in de Tweede Boerhaavestraat

Slordige heren

De prijs voor een overnachting is gebaseerd op de pensionprijs. Dat is het bedrag dat je als bewoner maandelijks moet betalen in een residentiële voorziening. Dat is iets meer dan 500 euro. Het kan immers niet zo zijn dat een maand hotel veel goedkoper is dan een maand in een pension of internaat. Maar het blijft natuurlijk wrang dat je in het passantenhotel een keurige kamer voor jezelf hebt terwijl je voor hetzelfde geld ook op een zaal met slordige heren in een pension kunt verblijven. Dat is eigen aan de maatschappelijke opvang. Het is goed dat er veel verschillende voorzieningen zijn, maar de individuele dakloze zegt die diversiteit niet zoveel. Die ziet vooral veel kwaliteitsverschil voor dezelfde prijs. Er is schaarste, waardoor nog steeds alle plaatsen zijn bezet.’

Omslag

Walter Kamp: ‘Er is een omslag gekomen in het denken over voorzieningen voor daklozen. We zijn het er over eens dat ieder mens recht heeft op een eigen kamer en dat we af moeten van slaapzalen. Dat roepen we nu wel, maar het duurt een tijd voordat zoiets werkelijkheid wordt.
We zijn de nodige stappen aan het zetten met de uitbreiding van de capaciteit en het groot onderhoud van diverse voorzieningen.

Spreiding

We gaan samen met de organisaties voor maatschappelijke opvang een spreidingsplan maken, waarbij we alle voorzieningen in hun geheel bekijken, wat zijn de nieuwbouwplannen, wat is de gewenste kwaliteit, wat is de gewenste omvang, wat is de gewenste locatie etc.
Er zijn mogelijkheden. Voor sociaal pension Straetenburgh gaat nieuwbouw plaatsvinden, er is het nieuw te bouwen Martien Schaaperhuis. Ook bij andere instellingen zijn dergelijke initiatieven. Als je dat allemaal bij elkaar knoopt, kom je nog eens ergens. De woningcorporaties werken goed mee.’

Locaties vinden

Cees van der Meer: ‘Bij de vestiging van wat grotere maatschappelijke voorzieningen komt het nodige kijken. Overleg met de stadsdelen. Welke panden zijn er beschikbaar? Hebben de geschikte panden al een zorgbestemming? Het is altijd lastig geschikte locaties te vinden, zeker als je er zo’n vijftig mensen wilt herbergen. Daarom duurt het realiseren van het passantenhotel lang. De gemeente is ook maar één visser in de – momenteel niet al te gevulde – vijver. Als je eenmaal iets hebt gevonden, gaat het bouwen of verbouwen heel snel.

Volkshuisvesting

De gemeente heeft De Aak voor tien jaar gehuurd. Als straks in mei 2003 het hotel aan de Boerhaavestraat opengaat, hebben we dus 60 plekken over. We zullen die in eerste instantie gebruiken voor de tijdelijke huisvesting van bewoners van wie de voorziening elders in de stad wordt gerenoveerd.’
Walter Kamp: ‘Het is eigenlijk opmerkelijk dat zo’n passantenhotel helemaal vanuit de portefeuille zorg wordt opgezet. Ik zou het leuk vinden als een woningbouwvereniging zoiets ging doen. Of de Stedelijke Woningdienst. In feite is het gewoon volkshuisvesting, het gaat immers om een niet al te problematische groep. Als er wat meer goedkope hotels in de stad zouden zijn, was zo’n voorziening niet nodig geweest.’

Onverwachte zaken

Cees van der Meer: ‘Wij zijn opdrachtgever van PMB, het projectmanagement bureau Amsterdam. Zij begeleiden veel bouwprojecten en hebben daar verstand van. Wij niet. Buiten een zeer globaal programma van eisen hebben we ons verder niet met het handwerk bemoeid. Als je met een pand aan de gang gaat, kom je voor allerlei onverwachte zaken te staan. Wij geven de inhoudelijke context aan.
Je merkt gaandeweg ook dat je wel van alles kunt roepen – ‘we willen dit, we willen dat’ – maar dat het soms bouwtechnisch onmogelijk is. We hebben te maken met een bestaand pand. Je zit met draagmuren, gangen etc. Je kunt er niet gewoon schotjes tussen zetten.’

Duur?

Walter Kamp: ‘Vroeger werd zoiets helemaal aan de instellingen over gelaten. En die kwamen dan met een pand en met een programma bij de gemeente. En dan zeiden wij ja of nee.’
Cees van der Meer: ‘En vaker ja dan nee.’
Walter Kamp: ‘In dit geval heeft de gemeente vanaf het begin actief aangegeven hoe we het ongeveer zouden willen zien en hoe het naar onze mening moet worden gerealiseerd. Uiteraard nadat de inhoudelijke kant met HVO-Querido goed was doorgesproken.’
Cees van der Meer: ‘Wij hebben of niet bemoeid met de vraag of er nu staande of hangende toiletpotten moeten komen. Maar dat soort dingen moeten van tevoren wel goed worden geregeld en afgestemd. Dat is een zaak voor HVO-Querido en de architect. Op het moment dat je de varianten – tekeningen met de bijbehorende prijskaartjes – krijgt, moet je keuzes maken.’

Vergelijking

Walter Kamp: ‘We hebben gemerkt dat deze manier van werken – de gemeente neemt de regie en de eis is kwaliteit – meer kost dan we gewend waren in de maatschappelijke opvang.’
Cees van der Meer: ‘Het passantenhotel kost een kleine drie miljoen euro. Los van de exploitatie. Gewoon het pand, aankoop en verbouwing zonder personeel etc. Kun je nagaan wat het gaat kosten als je al die pakweg veertig opvangvoorzieningen Amsterdam echt kwalitatief goed wilt maken. Dan ben je waanzinnig veel geld kwijt. Als de gemeente de bestaande voorraad moet gaan opknappen zoals we het zouden willen, dan wordt dat op z’n zachtst gezegd een hele klus.
Er is wel politieke wil om kwaliteit te leveren, maar niemand weet waar we het nu eigenlijk over hebben. We wisten niet wat een plek in de opvang nu precies kost. Daarom hebben we besloten het in eigen hand te houden. De beste manier om daar achter te komen is het zelf te doen. Pand kopen, verbouwen, gebruiker en eindgebruikers vinden.
De gemeenteraad vond het aanvankelijk nogal duur. Maar als je het vergelijkt met een plek in een ziekenhuis, een verzorgingshuis of een RIBW dan komt het passantenhotel er niet slecht uit.’

Mooi

Walter Kamp: ‘Allerlei eigenschappen die geen toeval zijn – bijvoorbeeld allochtoon zijn of verslaafd zijn of je niet als een modelburger gedragen – bepalen in welke zorgvoorziening je belandt. En je kunt helaas stellen: hoe zieker je bent, hoe slechter je terechtkomt.
De dak- en thuislozenzorg is per definitie laagdrempelig. Daarom hoef je ook niet voor de totale omvang hoge kwaliteitseisen te stellen. Het hoeft niet over de gehele linie zo mooi te zijn als in een ziekenhuis of verpleeghuis. Mensen komen, blijven een tijdje en gaan weer weg. Als je het te mooi maakt, blijven mensen te lang. Dat is een afweging die instellingen vaak maken.
Voor de tijdelijke groep kun je het vrij kaal en sober houden, maar voor de groep die vrij lang blijft kun je het maar beter mooi maken.

Minder, schoner, gezonder

Drie jaar geleden telde de Universiteit van Amsterdam nog gemiddeld 200 mensen per nacht, exclusief Zuidoost, die niet in de opvang verbleven. En nu is dat onder de 100. En dat is nog voor de komst van het passantenhotel. Het is natuurlijk heel onwetenschappelijk om een causaal verband tussen deze cijfers en de inspanningen van de maatschappelijke opvang aan te nemen, maar toch.
Ik zie minder daklozen op straat en ook minder mensen die er slecht aan toe zijn. De daklozen op straat hebben schonere kleren aan en zien er gezonder uit dan een paar jaar geleden. De meesten wonen bij HVO-Querido of het Leger des Heils. Ze vallen alleen overdag soms nog op omdat ze er een zootje van maken.’

Niet afwachten

Cees van der Meer: ‘De cijfers tonen aan dat een initiatief voor als De Vliegende Hollander – dat probeert te voorkomen dat mensen überhaupt in de opvang terechtkomen – goed werkt. Want dat is natuurlijk het slechtste dat je kan overkomen. Het is goed dat het er is, maar je moet niet afwachten tot het zover is. Je moet juist aan de voordeur gaan zitten en zeggen ‘je komt er liever niet in’. Mensen bouwen een carrière op in de dak- en thuislozenzorg en komen daar vervolgens moeilijk weer uit.’

Snel ingrijpen

Walter Kamp: ‘Een van de uitdagingen voor de maatschappelijke opvang voor de komende jaren wordt het ontwikkelen van een goede methodiek om mensen die net dakloos zijn geworden snel weer op de been te helpen. Je moet juist ingrijpen als mensen nog maar kort dakloos zijn en niet wachten op de Verelendung. Als mensen net op straat staan kun je er nog iets mee. Er is wel wat met ze aan de hand, maar nog niet zo vreselijk veel. Als je een jaar wacht, zien ze er beroerd uit en gebruiken inmiddels allerlei verboden dingen. Als je ze in de eerste maanden wat biedt – een passantenhotel en nog zo wat – is de kans groot dat ze er zelf weer bovenop komen.’

Kort en goed

Cees van der Meer: ‘Dat is voor de gemeente ook een beleidsmatige keuze. We gaan het aantal plaatsen in de maatschappelijke opvang niet meer uitbreiden. We gaan voorkomen dat mensen in de opvang terechtkomen. Als ze wel in de opvang terechtkomen, dan zo kort mogelijk op een goeie plek. En dan er weer uit. Mensen kunnen het best in hun eigen huis blijven wonen, of met meerdere mensen begeleid wonen in plaats van in een pand zitten met zestig mensen. Dat is niet altijd de meest stimulerende omgeving. Het is goed dat het er is, maar we hoeven er als samenleving niet trots op te zijn.’
Walter Kamp: ‘Over pakweg tien jaar moet de hele maatschappelijke opvang zoals we die nu kennen eigenlijk opgeheven zijn. Twee of drie mooie grote panden in de stad waar mensen tijdelijk kunnen verblijven maar verder kleinschalige voorzieningen. Gewone huizen en niet meer van die rare, armoedige grote instellingsgebouwen.’

Differentiatie

Cees van der Meer: ‘We hebben bewust gekozen voor differentiatie in het aanbod. Individuele kamers en kamers voor meerdere personen. Daklozen zijn natuurlijk net als ieder ander gesteld op hun privacy, maar uit talrijke gesprekken met de doelgroep is gebleken dat men het ook prettig vindt met lotgenoten te kunnen verkeren. Even met iemand praten in de lobby verdrijft het gevoel van eenzaamheid. Dat is heel belangrijk, zeker in een samenleving die steeds individualistischer wordt. In die zin vervullen grotere opvangvoorzieningen ook een buurtfunctie. Misschien is dat wel het enige lichtpuntje van dakloos zijn, dat er op straat en in de voorzieningen een zeker gemeenschapsgevoel ontstaat. Je bent nogal op elkaar aangewezen.

 

Deel dit bericht:

Meer lezen?

Bekijk dan al onze berichten.