Verhalen

Ervaring maakt het verschil

05 november, 2016

Marjan de Jong is een vechter en een doorzetter. Ze begint op een LOM-school en haalt haar Hbo-diploma. Ze gaat van talloze opnames in klinieken naar een betaalde baan in een kliniek, waar ze met haar ervaringsdeskundigheid het verschil maakt. Het Herstelbureau van HVO-Querido heeft bij dat laatste een cruciale rol gespeeld.

Marjan de Jong (1986) woont met haar kat Loena, voluit Loenatic, in een leuk appartement in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. Over vijf jaar wil ze samenwonen met haar vriend, het liefst ergens ‘relaxed’ op het platteland. Ze chillt graag met vriendinnen, ze leest fantasy zoals Jean M. Auel, maar draait haar hand ook niet om voor  ‘psychologische probleemboeken.’

Marjan werd geboren in Meppel en groeide op in Steenwijk. Haar vader is Fries, haar moeder Drents, maar thuis werd algemeen beschaafd Nederlands gesproken.
‘Mijn vader had verschillende banen, eerst in allerlei fabrieken, later als installateur van antennes voor mobiele telefonie. Mijn moeder deed administratief werk. Inmiddels werken ze alle twee in het bedrijf van mijn jongere broer, die een strandpaviljoen heeft  op Texel. Mijn broertje is een jaar jonger dan ik, een aardige, makkelijke jongen.

Overzichtelijk

Tot groep vijf zat ik op een gewone basisschool. Dat ging op een gegeven moment nauwelijks meer en thuis ging het ook niet. Ik had gedragsproblemen, spelen en omgaan met anderen vond ik heel lastig, ik had veel ruzie. Ik was boos op de hele wereld. Ik wilde niks, ik wilde niet leven. Ik vond het leven helemaal niks, ik was somber en depressief. Acht jaar was ik toen.
Daarna ging ik naar het speciaal onderwijs, een zogeheten LOM-school, dat staat voor leer- en opvoedingsmoeilijkheden. Je hebt kleine klasjes, het is overzichtelijk. Daar had ik iets meer rust, waardoor het thuis ook wat beter ging.
Op zo’n school heb je alle probleemgevallen gezellig door elkaar heen. Iedereen die het op een gewone school niet redt, komt daar terecht. Ik vond het er wel prettig, ik had er ook meer vriendjes.
Ik werd gebracht en gehaald met een busje, dat was verschrikkelijk, elke keer een uur of langer in dat stomme busje zitten en die chauffeur was echt een bitch.

Marjan de Jong, foto Jildiz Kaptein

Diagnose

Ze dachten in die tijd aan PDD-NOS, maar dat is toen niet vastgesteld. Op dit moment vindt er opnieuw diagnostisch onderzoek plaats. De goede diagnose stellen is lastig, maar wel belangrijk. Niet om het label zelf, maar ik wil graag dat mensen goed op mij reageren. Vooral als het wat minder gaat. Nu heb ik de diagnose borderline, dat vind ik niks, daarbij denken mensen meteen “o nee, daar ga ik niet mee om.”

Iets met de natuur

Aan de Groenhorst in Emmeloord heb ik Vmbo gedaan. Ik wilde boswachter worden, in ieder geval ‘iets’ met de natuur. Ik hield en houd van de natuur, van bomen, van dieren en van wandelen. Je kon op verschillende niveaus instromen, ik was expres een jaar blijven zitten om in een gewone klas te komen, maar moest toch naar een speciale klas. Daar was ik heel boos over.
Ik vond die school heel makkelijk, je had veel praktijkonderwijs, bijvoorbeeld in de kas. Ik liep stage bij een schapenboer en ben afgestudeerd, als je dat zo kunt zeggen, op kippen. Kleinvee vind ik leuk, koeien zijn groot en vies.

Iets met kinderen

Ik had me opgewerkt naar de toegang tot niveau 4 van het Mbo en ben toen SPW (Sociaal Pedagogisch Werk) gaan doen. Door een stage bij een kinderboerderij leek het me leuk om met mensen met een verstandelijke beperking te gaan werken, of misschien ‘iets’ met jongeren. Die opleiding duurt vier jaar en ik heb er ook vier jaar over gedaan.

Keuzes

Ik was inmiddels achttien jaar, ik kon doen wat ik zelf wilde. Er was een sterke drang in mij om zelf keuzes te maken. Toen heb ik besloten een eind aan mijn leven te maken. Ik wilde niet meer leven en ik wilde niet meer thuis zijn. Ik heb ook een poging gedaan. Dat is nog vrij lastig, kwam ik toen achter. Toen besloot ik om dan maar weg te lopen naar een ver land. Het maakte niet uit waarheen, als het maar weg was en ver. Ik had een aardige maatschappelijk werker en ik heb haar gebeld om gedag te zeggen. Zij schrok en waarschuwde de crisisdienst, waarna ik drie maanden opgenomen ben geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. Dat is een bizarre situatie. Twee verpleegkundigen stellen je voor de keuze: je gaat vrijwillig mee of gedwongen. Alsof je iets te kiezen hebt! Het waren verloren maanden, ik heb er niks aan gehad. Ik wilde wel worden behandeld, maar de manier waarop sloot totaal niet aan. Er waren geen gesprekken met een psychiater of psycholoog, zij vonden dat ik in systeemtherapie moest. Dat wilde ik absoluut niet, dat was juist precies het tegenovergestelde. Ik wilde niks met wie dan ook te maken hebben, maar zelf beslissen hoe ik mijn leven vorm zou geven.

Een eigen plek

Toen ik uit de kliniek kwam had ik niets. Ik kon niet terug naar huis, ik kon nergens naartoe en zo ben ik op mijn achttiende dakloos geworden. Ik ging wel gewoon naar school. Drie maanden heb ik op straat geslapen en bij vrienden. Als SPW-er in opleiding wist ik een beetje hoe de sociale kaart van de Noordoostpolder eruitzag en toen heb ik een kamertje gevonden bij Rehoboth. Die organisatie bestaat nu niet meer, maar het was een christelijke opvang, heel gelovig allemaal. Daar zat ik dan, als achttienjarige verreweg de jongste, tussen de oude mannen die dronken en drugs gebruikten. Het was best een moeilijke tijd, er was veel agressie in huis, veel beschadigde mensen. Maar er was ook medelijden en bescherming. En voor het eerst van mij leven had ik een eigen kamer, een eigen plekje echt van mezelf. Daar heb ik iets meer dan een jaar gewoond.

Rozen stinken

Ik moest er 550 euro per maand betalen. Dat ging niet van mijn studiefinanciering, dus had ik een krantenwijk en werkte op zaterdag en zondag bij een rozenkwekerij in Luttelgeest. Sinds die tijd vind ik dat rozen eigenlijk stinken. Doordeweeks ging ik naar school.
Na een tijdje werd de opvang overgenomen door Tot Heil des Volks, ook christelijk, dat kamercontroles instelde. Maar ik wilde niet dat iemand in mijn kamer kwam, dus ik werd boos, heb wat stukgemaakt en stond weer op straat.
Ik kwam in een piepkleine vrouwenopvang terecht, heel huiselijk en ook weer gelovig, maar het paste niet bij mij. Ik ben samen gaan wonen met een man die ik kende uit de opvang. Het was geen liefde, hij kreeg een flat aangeboden en was zo aardig deze met mij te delen. Ik moest wat en het leek mij de beste keuze. Ik heb er vijf jaar gewoond en het ging heel redelijk.

Student

Intussen had ik mijn SPW afgemaakt, maar ik vond dat ik nog niet met mensen kon gaan werken, omdat ik te weinig kennis en ervaring had. Ik wilde er dieper en verder induiken en ben aan de Hbo-opleiding SPH (Sociaal Pedagogische Hulpverlening) begonnen op  Windesheim, een hele goeie school. Ik dacht iets met kinderen of jongeren te gaan doen, misschien wel met LVB (licht verstandelijke beperking). Ik was nog niets tegengekomen waarbij ik voelde “hier wil ik aan de slag.”
Inmiddels woonde ik zelfstandig op kamers in Zwolle, in de wijk Assendorp. Zoals iedereen van Windesheim ging ik naar café Het Vliegende Paard, ik hockeyde bij Tempo ’41, kortom, ik leidde een normaal studentenleven.
Ik specialiseerde me in jeugd en psychiatrie, dat is een goede keuze geweest. Het is een boeiende en heel gevarieerde opleiding. Ik heb veel geleerd en veel stages gedaan. Elke keer was ik blij als ik met kinderen kon werken, dat sloot goed bij mij aan. Op mijn 25e had ik mijn diploma op zak en kon gaan werken.

Er zijn

Ik had via het uitzendbureau allemaal hele kleine baantjes, acht uur hier, acht uur daar, in de gehandicaptenzorg, in de psychiatrie. Zo heb ik veel ervaring opgedaan en een breed beeld gekregen van wat er allemaal te koop is. En toen heb ik uiteindelijk voor de volwassenenpsychiatrie gekozen.
Ik denk dat ik het lang voor me uit heb geschoven, dat ik eromheen ben gedraaid, omdat ik bang was dat het te dichtbij zou komen. Maar ik wil mensen helpen omdat ik zelf zo slecht ben behandeld. Dat is de bottom line.
Een crisisopname is een dieptepunt, dat weet ik uit ervaring, ik ben inmiddels vijftien keer opgenomen geweest, maar daarna wordt het altijd iets beter, dat weet ik ook uit ervaring. Ik wil er op dat moment zijn voor mensen.

Steeds leuker

Ik ben altijd bang geweest dat mensen zouden denken dat ik gek was. Daar ben ik nu min of meer overheen. Ik vond het leven niet leuk en zag om me heen alleen mensen die het leven wel leuk vonden, dat wilde ik ook zo graag. Ik heb er altijd voor gestreden om een zo normaal mogelijk leven te hebben, ik wilde zijn zoals andere mensen, ik wilde gewoon normaal zijn. Pas de laatste drie jaar heb ik die drang om normaal te zijn los kunnen laten. Als ik nu authentiek mezelf kan zijn, vind ik dat al mooi genoeg. Er zijn nu meer momenten dat het goed gaat. Ik begin het leven steeds leuker te vinden.
Dat komt ook omdat ik nu veel over mij gevoelens kan praten. Nu heb ik een hulpverlener die altijd wel wil horen hoe het met mij gaat. Dat is een schat hoor, als je zoiets kunt vinden. Ik kan haar altijd bellen, echt elk uur van de dag. Zij is van Vriend GGZ, een goede organisatie. Soms heb ik last van wat mensen over mij zeggen. Ik vind het moeilijk als mensen een oordeel vellen. Dat kan door mijn hoofd gaan spoken.

Mijn eerste echte werk

In mijn werk zat ik intussen nog steeds met al die kleine baantjes en nergens kans op een vaste aanstelling. Toen heb ik bij HVO-Querido gesolliciteerd en kreeg een jaarcontract. Mijn eerste echte werkplek voor 36 uur per week, als persoonlijk begeleider bij BW Zuid. Ik begeleidde acht mensen. Leuk werk, maar na drie jaar kreeg ik helaas geen vast contract.
Daarna ben ik in therapie gegaan, MBT (Mentalization Based Treatment), dat wil zeggen dat je leert nagaan waaruit gedrag ontstaat, zowel van jezelf als van anderen. Je leert als het ware je eigen emoties even uit te stellen, zodat je niet direct opvliegerig reageert.

Opstap

Na die therapie dacht ik nooit meer ergens aan de slag te kunnen. Via via ben ik toen als vrijwilliger bij het Herstelbureau van HVO-Querido terechtgekomen. Hele fijne mensen. Het leek wel alsof dat speciaal voor mij was gemaakt. Ik kon dingen meteen een plek geven. Je eigen herstelverhaal mogen vertellen is heel fijn. Ik ging inzien dat mijn ervaringen waardevol kunnen zijn, ook voor andere mensen. Ze zeggen dat ik er heel verlegen binnenkwam. In ieder geval ben ik een stuk opener geworden.
Het Herstelbureau bleek voor mij de opstap naar een nieuwe, betaalde baan.

Opluchting

Nu werk ik drie dagen per week als ervaringsdeskundige bij een dual diagnosis kliniek van Mentrum, een combinatie van psychiatrie en verslaving. Daar heb ik een andere rol, ik mag open zijn over wat ik heb meegemaakt. Dat voelt als een opluchting. Op vrijdag volg ik nu de TOED opleiding (Training Opleiding Ervarings Deskundigheid).
Zorgmijders vind ik een leuke en boeiende doelgroep. Die mensen help je door je niet als begeleider op te stellen. Dus geen krachteninventarisatie maken, maar een kopje koffie drinken. Je kunt zoiets ook maken door een aantal keer in een gewoon gesprek een aspect aan de orde te stellen en dat samen te smeden tot een inventarisatie of plan. Ik kan vrij goed luisteren. In zorgmijders herken ik iets van mezelf. Ik heb ook vaak gedacht dat ik niet welkom ben op de wereld, dat ik er niet mag zijn. Daardoor is het moeilijk om hulp te vragen bij je verdriet of onmacht.

Contact

Ik merk dat cliënten het prettig vinden dat er ook een ervaringsdeskundige bij is. Mensen vinden het gewoon fijn om hun verhaal te vertellen, om contact te maken en als mens gezien te worden, in plaats van als een optelsom van aandoeningen. Het helpt wel dat ik door mijn opleiding de theorie ook ken. Net als de verpleegkundigen heb ik Hbo gedaan en heb net zoveel recht van spreken. Daardoor sta ik wat steviger in mijn schoenen. Samen met mijn eigen ervaringen is dat echt een meerwaarde.’

 

Deel dit verhaal:

Meer lezen?

Bekijk dan al onze verhalen.