Edmund Rijssel is rond 1 juli altijd even een bekende Nederlander. Hij is namelijk uitgegroeid tot een van de iconen van de jaarlijkse nationale herdenking van ons slavernijverleden in het Amsterdamse Oosterpark. Omdat hij stabiel en zelfstandig is, werd zijn woning in 2016 op zijn eigen naam geschreven en de hulpverlening geleidelijk afgebouwd.
In 2016 woonde meneer Rijssel nog in een woning die een welhaast Caribische sfeer ademt met veel grote planten, lichte rieten meubels, een schommelstoel en veel foto’s en snuisterijen uit Suriname. Hij is een grote, blijmoedige man en verre van eenkennig. Hij werkt op zondag als kerkwacht en komt vaker bij diverse kerken over de vloer. Hij is opgeleid als Wintipriester en heeft op elke donderdag van 14:00 tot 16:00 uur als Pa Dondru een eigen radioprogramma in het Surinaams op Razo, Radio Zuidoost. Hij doorspekt zijn conversatie met hele en halve Bijbelcitaten, flarden van psalmen en poëzie en aforistische wijsheden die op een tegeltje niet zouden misstaan.
Geen onderscheid, we zijn allemaal familie
‘Alles is religie,’ stelt Edmund Rijssel. ‘En alles wat leeft, heeft een ziel, ik zie en ervaar het elke dag om me heen. Wie kent God niet? Iedereen kent God! Hoe je God noemt, is niet van belang, dat doen alle mensen verschillend. En als je met mensen omgaat, kom je ook van alles tegen. De een is directeur, de ander een zwerver. Ik maak geen onderscheid meer, daar ben ik mee opgehouden. Mensen zijn anders, niet minder of meer. We zijn allen broeders en zusters. Wij zijn allemaal waardig. Als je nederig bent, overwin je alles.’
Kritisch, ondeugend, spiritueel
‘Ik ben een kind van de zestiger jaren, geboren in 1957 in het Sint Vincentiusziekenhuis in Paramaribo,’ vertelt meneer Rijssel. ‘Ik ben een stadscreool. Mijn vader was bankwerker en wij waren met tien kinderen thuis.’
‘Van mijn moeder mocht ik nooit iemand uitsluiten en dat was een hele wijze les van haar,’ zegt hij. ‘Als je hulpbehoevende mensen kunt helpen, dan moet je je hand uitsteken. Wat er ook aan de hand is? Het blijven mensen. Mijn moeder leeft nog en tot mijn 52e heb ik ook mijn vader nog gehad.’
‘Ik was geen jongen die van school hield,’ gaat hij verder. ‘Ik was ondeugend en lastig voor de juffrouw. Altijd in discussie, nooit met iemand eens. Ik heb als timmerman gewerkt bij OW en V [Openbare Werken en Verkeer, red.] en bij het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting. Dat timmeren is iets van mezelf, iets dat ik gewoon kan, zonder dat ik daarvoor ooit op school heb gezeten.’
‘Zelf ben ik spiritueel, een cultuurmens, ik kan mensen goed tot rust brengen. Winti klinkt exotisch, maar Hollanders vergeten vaak dat ze zelf ook medicijnmannen hebben. Wat denk je van de dominees en pastoors, de psychiaters, van Jomanda? Eigenlijk zijn alle hulpverleners een soort medicijnmannen met hun eigen rituelen. Door te praten geven ze rust en geestelijke steun. En je moet ervoor open staan, anders werkt het niet, je moet er in geloven.’
Weinig geld, veel kennis en ervaring en familie
‘In 1982 ben ik in Nederland gekomen. Eerst in een pension op het Prinseneiland, later in een woning in de Da Costastraat. Ik ben nog wel eens terug geweest naar Suriname, maar nu kan dat even niet, want ik ben de armste man van Nederland.’ Edmund Rijssel laat, niet voor het eerst tijdens het gesprek, een diepe en aanstekelijke lach horen.
‘Maar ik ben wel rijk aan kennis en ervaring. Ik ben getrouwd geweest, ik heb grote kinderen, ik ben opa. Gelukkig zijn, moet je zelf doen. Ik heb heus ook zo mijn moeilijkheden gehad, maar ik ben nu gelukkig met mezelf. En dan heb je de wereld.’
In 2020 is Edmund op een lang familiebezoek in Suriname geweest. ‘Het gaat goed met mijn familie, dat was helemaal top. Ik vond het heel leuk om na achttien jaar weer eens in Suriname te zijn. Toch heeft het me vreselijk gekost. Ik was van plan om 3 maanden te blijven en vanwege de coronapandemie werd het 9 maanden. Het was overmacht en gelukkig heeft men mij goed ondersteund.’
Hemels en rustig
‘In 2009 kwam ik bij HVO-Querido terecht, toen ik eruit was geschopt door een deurwaarder,’ legt meneer Rijssel uit. ‘Ik zit hier goed. Het is lekker rustig. Ik heb van niemand last en niemand heeft last van mij. Ik moet voor mezelf zorgen en dat gaat prima. Ik kook graag, ook voor andere mensen, en heb heel veel contacten met verschillende mensen. Ik ben een multiculturele man. Ik luister naar klassieke muziek en naar Louis Armstrong, naar kaseko en naar kerkmuziek.’
Wat betekent Keti Koti voor Edmund?
‘Het is goed om van Keti Koti een nationale feestdag te maken,’ benoemt Edmund. ‘Het is toch ook een belangrijk stuk van jullie geschiedenis? Je moet weten waar je vandaan komt. Met Keti Koti vereren wij vanuit onze cultuur ook onze voorouders. We roepen de geesten op van onze voorouders. Sommige geesten komen en vertellen wat er allemaal is gebeurd. Daarom vind ik tot slaaf gemaakten ook mooier dan slaaf, dat doet meer recht aan onze voorouders.’
Keti Koti is voor iedereen
‘Keti Koti of Manspasi is niet alleen voor ouderen. Jonge mensen doen van kinds af aan mee,’ legt Edmund uit. ‘Je wordt meegenomen door je ouders. En je hebt op school toch allemaal geschiedenis gehad? Ik weet nog dat ik heel droevig werd toen ik voor het eerst hoorde dat wij eigenlijk uit Afrika zijn verdreven. Hoe meer je de geschiedenis ontdekt, hoe meer reden je vindt voor tranen. Als Surinamer voel ik me verplicht om mijn voorouders te herdenken. Dus ik zeg: Switi Manspasi, een fijne herdenking.’

Edmund Rijssel
Elk jaar aanwezig bij Keti Koti
‘Ik ben trots op Keti Koti, zoiets is nergens te wereld gezien,’ vertelt meneer Rijssel. ‘Volgens mij zijn wij daarmee de eersten. Het gaat om herdenken en vieren, die twee samen. Dat vind ik mooi.’
Edmund: ‘Ik ga al jaren naar Keti Koti, gewoon uit mezelf, niet namens een of andere club, want ik ben mijn eigen baas. Blijkbaar draag ik het goed over, want ik sta altijd op de foto, in de krant en op tv. Ze pikken mij er altijd uit. Afrikanen doen ook altijd heel enthousiast en roepen “brother” naar me. Maar ik doe het niet om gezien te worden. Ik doe het omdat ik vind dat het moet.’
Hij laat een indrukwekkend aantal persfoto’s en krantenknipsels zien van zijn rol door de jaren heen tijdens de herdenking bij het Nationaal monument slavernijverleden. ‘Het zijn toch de Hollanders die me ongevraagd deze dienst hebben bewezen. Ik was een keer op de Dappermarkt en daar probeerde iemand mij een programmaboekje van Keti Koti te verkopen met een foto van mezelf op de voorkant! Toen heb ik haar een beetje geplaagd, “wie is die man, ik ken die man niet.” Toen heb ik haar het horloge laten zien dat ik om had en dat hetzelfde was als op die foto.’
Tijdens de herdenking draagt Edmund Rijssel een tak als staf en vaak een gietijzeren pot op zijn hoofd. ‘Dat is een teken van het harde, zware werk dat de slaven moesten doen. Het gaat erom dat we respect tonen voor onze voorouders, zodat ze rust kunnen krijgen. Het is niet iets van blijdschap en toch is het iets wat we nooit moeten vergeten.’



