Nieuws

Mogelijkheden zien in de wijk

HVO-Querido begeleidt steeds vaker cliënten in hun eigen woning en wijk. Met hen kijken we hoe het eigen netwerk, en organisaties en plekken in de wijk kunnen bijdragen aan de ondersteuning. Zo behoudt iemand zoveel mogelijk regie over zijn/haar leven, bouwt hij/zij aan een netwerk en neemt binnen de eigen wensen en mogelijkheden deel aan de maatschappij. Deze aanpak noemen we wijkgericht werken.
Het Ambulant team Wijkzorg van HVO-Querido werkt al jaren wijkgericht in Amsterdam. In Amsterdam werkt dit team in het zogenoemde wijkzorgnetwerk: een netwerk waarin formele en informele organisaties samenwerken om Amsterdammers met een ondersteuningsvraag de beste hulp te leveren in de eigen omgeving. Waar die ondersteuning uit kan bestaan wordt toegelicht in een tweegesprek tussen Marie, een cliënt van Wijkzorg en Linda, haar persoonlijk begeleider.

Marie (1959) is een geboren en getogen Amsterdamse. Ze groeide op in de Watergraafsmeer en na de nodige omzwervingen door de stad woont ze nu opnieuw in deze wijk in Amsterdam Oost. Ze woont er naar haar zin, de Watergraafsmeer bevalt haar goed.
‘Ik zit nu bij wijkzorg,’ vertelt Marie, ‘omdat ik het alleen niet meer kon redden. Ik kon het gewoon niet meer opbrengen om het allemaal alleen te doen. Linda komt nu gelukkig meestal twee keer per week een uurtje bij mij thuis en daar heb ik echt enorm veel steun aan. Soms is alles me gewoon teveel: de post, douchen, stofzuigen, de afwas, boodschappen doen. Maar als Linda er is, dan lukt het net.’

Steun

‘Je kunt echt heel veel,’ riposteert Linda (1972), ‘je bent een intelligente vrouw, je hebt een goede opleiding gedaan, je hebt heel lang gewerkt en je functioneert uitstekend. Je kunt je door jouw ziekte soms moeilijk tot dingen zetten.’
‘Zo is het,’ beaamt Marie. ‘Mijn motor doet het niet meer. Dat is het probleem. Ik werkte in het onderwijs, maar sinds een jaar of tien heb ik psychische problemen en is mijn leven moeilijk geworden. Met Linda praat ik veel. We delen ook veel en kunnen gelukkig goed met elkaar opschieten. Dat is een grote steun voor mij. Praten met Linda helpt mij meer dan praten met de SPV-er.’

Rust in je hoofd

Linda: ‘Het is overigens niet zo dat ik het werk van Marie overneem. Maar als zij bijvoorbeeld enorm tegen de afwas opziet, ik noem maar wat, dan beginnen we er gewoon samen aan. Tijdens het wassen en drogen kun je ook over van alles praten en vertellen hoe het met je gaat. We zijn niet altijd aan het werk, we drinken ook wel eens rustig een kop koffie samen.’
Marie: ‘We praten heel veel, echt over van alles. Over problemen en angsten, maar niet alleen over problemen, juist ook over gewone dingen. Zij zorgt ervoor dat ik weer wat rust in mijn hoofd krijg.’

Linda en Marie (die liever niet op de foto wil)

Vrijwilligerswerk

Linda: ‘Wij weten allebei dat Marie de klant is en ik de hulpverlener. Maar toch vind ik dat wij een behoorlijk gelijkwaardige relatie hebben. Ik zie gewoon de mogelijkheden van Marie. Ook op de momenten dat zij die even niet meer ziet. We blijven zoveel mogelijk weg van het negatieve, het is allemaal niet zo zwaarmoedig. Ik ben geen behandelaar, maar Marie kan bij mij wel haar hart luchten. Ze kan vertellen of ze een goede of een slechte dag heeft. Dat ventileer je wel, toch Marie?’
Marie: ‘Het is niet alleen maar praten, Linda helpt mij ook heel praktisch, aan een baantje bijvoorbeeld. Ik ben nu weer twee dagen per week vrijwilliger in het onderwijs, op maandag- en op vrijdagochtend. Op dinsdag werk ik op een zorgboerderij in Middenbeeemster, daar gaan we met een busje naartoe. En via Linda kom ik nu ook in het buurthuis.’

Sociale contacten

Linda: ‘Ik zoek ook graag antwoorden buiten de hulpverlening, ik heb natuurlijk genoeg lijntjes met de GGZ, ik observeer en signaleer, maar er is in de stad veel voor onze klanten te vinden buiten het domein van de zorg.’
Marie: ‘Zij helpt me door dingen voor mij te zoeken. Dingen om te doen, maar ook een maatje bijvoorbeeld. Ze lost praktische dingen voor me op. Door Linda voel ik me weer een beetje een gewoon mens.
Zo doe ik nu ‘s woensdags meestal iets leuks met een maatje. Dan gaan we naar de Lage Vuursche of naar een museum. Laatst ben ik naar David Hockney geweest in het Van Goghmuseum. Ik zoek nog nieuwe vrienden en vriendinnen om samen leuke dingen te doen. Ik moet me natuurlijk wel prettig voelen bij mensen.
Vijf keer per week eet ik bij mijn moeder, zij is 87 en woont ook in de Watergraafsmeer. Samen eten is gezellig, daar hebben we allebei baat bij. We hebben een vaste taakverdeling. Mijn moeder schilt de aardappels en snijdt de groente en ik kook.
Ik heb drie echt goede vrienden, maar die zijn ook druk met hun eigen leven. Eentje woont in Zwolle. Als ik daar ben, gaan we altijd naar zo’n leuk restaurant in het bos, dat heeft een heel mooi terras.’

Een rijk leven

Linda: ‘Samen met Marie proberen we bij het gezonde deel te komen, want er is al somberheid genoeg op de wereld.’
Marie: ‘Maar soms lukt dat niet, dan lukt helemaal niks, dan voel ik me zo depressief, dat ik alleen maar in bed wil liggen en naar de radio luisteren. Maar zo’n leven wil ik niet, ik wil meer. Al die dingen die ik nu doe, het is allemaal wel leuk, maar vroeger deed ik het er gewoon bij, naast mijn werk. Vroeger had ik een rijk leven, nu is dat weg. Ik las veel, ik schilderde, maar het zegt me allemaal niks meer. Het vuur is eruit.’
Linda: ‘Daar wil jij eigenlijk geen genoegen mee nemen, dat weet ik. Dat streven is op zich wel goed. Je hebt gelukkig een stevige intellectuele basis waar je op kunt vertrouwen. Maar juist omdat je altijd zoveel deed, is het besef van het verlies pijnlijker.’
Marie: ‘Linda is voor mij een soort moedertype. Dat bedoel ik goed hoor, als een compliment, niet dat je mij betutteld of zo.’
Linda: ‘Het voelt ook als een compliment, hoor.’

Doorgaan

Marie: ‘We zijn een keertje samen gezellig naar een kledingbeurs geweest in Amsterdam Noord, weet je nog?’
Linda: ‘Jazeker, dat was bij Hebben & Houwen, een bijzondere winkel waar mensen met een verwijzing zo nu en dan gratis mogen shoppen.’
Marie: ‘Nou, ik ben daar heel goed geslaagd. Linda zorgt heel goed voor me.’
Linda: ‘Het meeste doe je gewoon zelf hoor. Je moet jouw rol absoluut niet zo bagatelliseren, je kunt en doet veel meer dan je denkt.’
Marie: ‘Maar ik kan het echt niet zonder jou, ik heb een steuntje in de rug nodig. Zo houd ik de drive om door te gaan.’
Linda: ‘Volgens mij ben je veel te bescheiden.’
Marie: ‘Nou, dat soort dingen weet ik niet.’

Buurtbewoner blijven

Linda: ‘Ik werk 32 uur per week en ik heb momenteel zestien klanten. Ik kom niet bij iedereen twee uur per week langs. We kunnen daar een beetje mee schuiven, al naar gelang wat er aan ondersteuning nodig is. Het aantal contacturen varieert van één tot zes uur per week.’
Marie: ‘Ik heb nu ongeveer een jaar wijkzorg, daarvoor had ik niks. Ik weet niet meer hoe ik dat heb volgehouden. Mijn motor doet het niet meer, zo voel ik het.’
Linda: ‘Als ik bij Marie kom is ze soms wel een beetje stilletjes. We praten wat, we zijn bezig met iets en na een uurtje zie ik je toch meestal opleven. Dan draait het motortje toch weer een beetje. Wijkzorg past heel goed bij Marie omdat ze zo zelfstandig is en de buurt goed kent. Met ons als steuntje in de rug moet Marie vooral haar eigen dingen blijven doen, dat gaat hartstikke goed. Zo kan ze zo lang mogelijk een gewone leuke buurtbewoner blijven.’

 

Reacties ( 0 )

    Geef een reactie

    Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *