Nieuws

In memoriam L.P. van den Blink

Leendert van den Blink trad in 1960 toe tot het bestuur van Hulp voor Onbehuisden. In 1969 werd hij bestuursvoorzitter, een functie die hij maar liefst 21 jaar met verve heeft vervuld. Op 28 augustus 2016 overleed hij op 87-jarige leeftijd.

Leendert van den Blink, groot, innemend, wellevend en zorgvuldig formulerend, hield van goede omgangsvormen maar was wars van flauwekul en gewichtigdoenerij, want ‘dat noemen ze bij ons thuis kapsones.’
Bijna twintig jaar na zijn afscheid was zijn betrokkenheid niet minder geworden, hij sprak nog altijd van ‘wij’ en ‘ons’ als het over onze organisatie ging.
‘Het heeft een diepe indruk gemaakt in mijn leven,’ zei Van den Blink tijdens een vraaggesprek in 2009 over zijn periode bij HVO. ‘Levenswerk is een groot woord, maar u moet begrijpen dat het diep zit. Als ik mijn leven opnieuw mocht doen, zou ik dolgraag weer voorzitter van HVO worden.’
Terugkijkend op zijn lage periode bij onze organisatie ziet hij niet alleen ‘groot en spectaculair succes,’ de organisatie is door in- en externe bedreigingen ook ‘langs de rand van de afgrond gegaan. Als ik toen had geweten dat HVO nu nog bestaat, was ik een stuk geruster geweest.’

De pakken van vader achterna

Hij vertelde een smakelijke anekdote over hoe hij destijds bij HVO terecht is gekomen.
‘Als jong advocaat werd ik in 1960 gesommeerd bij Stheeman [destijds bestuursvoorzitter van Hulp voor Onbehuisden, red.] te komen, de president van de rechtbank, en deze zei: “Zeg, Van den Blink, ik denk dat het goed is dat jij bij HVO komt.” En dat was dat. Van HVO wist ik niets, behalve dat mijn moeder vroeger zei: “Piet, dat pak kan echt niet meer, dat moet naar Hulp voor Onbehuisden.” Van HVO wist ik dus alleen dat het de plek was waar de pakken van mijn vader naar toe gingen. En nu ging ik hem achterna.’
Het bestuur van HVO komt in die tijd maandelijks bijeen. Van den Blink herinnert zich nog de eerste keer. ‘Wij vergaderden altijd op de Weesperzijde, vlak naast het mannenasiel. De eerste keer dat ik daar kwam, was dat tegelijk met een beschonken vent die in plaats van aan te bellen een steen door de ruit had gegooid. Die man werd gewoon binnengelaten, maar moest wel douchen, dat was de enige eis die men stelde. Dat heeft grote indruk op mij gemaakt.’

Bij het zestigjarige bestaan van Hulp voor Onbehuisden in 1964. Van den Blink is de tweede van links.

Bij het zestigjarige bestaan van Hulp voor Onbehuisden in 1964. Van den Blink is de tweede van links.

Sterke positie in Amsterdam

In 1969 nam Van den Blink de voorzittershamer over van Ubbo Stheeman. Hij heeft grote waardering voor zijn voorganger, die hij kenschetst als een groot kortgedingen rechter, een uitstekend bestuurder en een groot man.
Volgens Van den Blink is het maatschappelijk werk lange tijd een ‘rustig bezit,’ een onomstreden gegeven, waar pas in de jaren zeventig verandering in komt. Het bestuur van HVO is daar een afspiegeling van. Het is een geweldig gezagsgetrouw, ietwat regentesk gezelschap dat deels bestaat uit ‘hele lieve, keurige dames, die liefhebberden in maatschappelijk werk en zich mengden in de keuze van de gordijnen van de afdelingen.’
Dit neemt volgens Van den Blink niet weg dat HVO ‘marcheert’ in die tijd, het is een ‘bloeiende, krachtige vereniging met een sterke positie in Amsterdam.
Ik heb al heel wat wethouders ontmoet die zeiden: “Het eerste dat je leert in de Amsterdamse politiek is handen af van het Leger des Heils en HVO.”
Samen met het Leger des Heils richt HVO zich zeer uitgesproken op de onderkant van de markt. Het Leger des Heils kan daarbij een beroep doen op een sprankje motivatie, bij ons hoefde zelfs dat sprankje niet. Waar wij de drie B’s van bed, bad en brood bieden, komt daar bij het Leger des Heils de B van bijbel bij.
In die markt deden wij het uitstekend dankzij uitzonderlijk goede medewerkers. De heer Bink van de Weesperzijde, zuster Dekker van de Roggeveenstraat, ik herdenk ze met diepe eerbied. Heldring (voormalig algemeen directeur van HVO, red.) had het in zijn vingertoppen. Zelf een aristocraat kon hij aristocraat zijn met het bestuur en verschoppeling der aarde met cliënten.
Ik erfde HVO in vorstelijke staat, dat was te danken aan Stheeman en Heldring.’

Bij het afscheidsdiner van Stheeman (midden) in 1969. Van den Blink zit aan zijn linkerzijde.

Bij het afscheidsdiner van Stheeman (midden) in 1969. Van den Blink zit aan zijn linkerzijde.

Kritisch en kleurrijk

‘Toen ik begon, begin jaren zeventig, was de typische dakloze een andere kerel. Er was nog nauwelijks drugs in de stad.
We hadden uitstekende en vaak zeer eigenwijze medewerkers, uitstekende mensen,  bevlogen maar nuchter. Die konden we krijgen omdat we zo’n goede naam hadden. Er waren zeer kleurrijke figuren bij. Zo had je de heer Hin van de reclasseringsafdeling, een gematigd anarchist, een baard als Tolstoi en schatrijk, zijn familie had een kousenfabriek. Uiterst kritisch, maar volstrekt voor rede vatbaar.
In die tijd werd een kritische houding ten opzichte van het gezag en de maatschappij vaardig over de medewerkers. Stel je een dokter voor die aan een kruispunt woont en daar telkens ongelukken ziet gebeuren. Er komt een moment dat je niet langer gewonden verzorgt, maar het kruispunt gaat beveiligen.
Nooit kon ik boos worden op medewerkers. Ze deden een goed werk wat ik niet kan.’

Ieder zijn werk

‘Ik ben altijd een voorstander geweest van een duidelijk scheiding tussen het voorwaarden scheppende bestuur en de professionals die het uiteindelijke werk in de vereniging doen,’ vervolgt Van den Blink. ‘Ik wilde juist geen bestuurders die iets van maatschappelijk werk afwisten. Ieder zijn werk. Ik wilde bestuurders die verstand hebben van vastgoed en verstandig vermogen kunnen beheren.
Toen ik begon waren wij vooral een club van goeddoeners, HVO was nog geen bedrijf. Ik begreep echter al spoedig dat wij eenvoudig in een “markt” zitten en een “product” leveren. Dat betekent dat we goed met geld moeten omspringen en dus ook concurrenten hebben. We zitten in een markt, we moeten het beter doen dan anderen.
Ik vond dat we ons als bestuur op dat bedrijfsmatige aspect moesten concentreren en ons niet moesten laten afleiden door de bijzonderheid van dat product.
In die zin heeft er een ombouw plaatsgevonden van goeddoen naar flauwekulloos maatschappelijk werk.
Zo ontstond een club die tegen een stootje bestand was en kon groeien. We hebben toen wat kleine organisaties overgenomen. Dat had ook een nadeel, we niet altijd even geliefd bij collega’s. HVO werd al snel als arrogant gezien. “Pas maar op, ze nemen je zo over,” werd er gezegd. Ik vond het verstandig om onafhankelijk te blijven. Niet met zijn allen in één club. Concurrentie is heilzaam voor de consument.’

Van den Blink houdt een toespraak bij de opening van Karspel in Duivendrecht in 1974

Van den Blink houdt een toespraak bij de opening van Karspel in Duivendrecht in 1974

Ook voor drugsverslaafden

‘Op een gegeven moment kwam de vraag op, moeten we onze zorgen gaan uitstrekken over drugsverslaafden? We waren er een beetje bang voor, een ander soort cliënten in huis, hoewel we konden lezen en schrijven met alcoholisten; wie het niet was, dat was meegenomen. Sommige bestuursleden vonden dat we moesten aanvaarden dat er ook een gebied is waarop we geen zorg leveren. Maar drugs waren ook niet branchevreemd, we moesten onszelf niet uit de markt prijzen en Heldring was er absoluut niet bang voor, dus zijn we langzaamaan meer voor verslaafden gaan doen.’

Nieuw: kraken

‘Burgemeester Samkalden belt ons op bij de allereerste kraakacties van gemeentescholen. Dat was helemaal nieuw. De gemeente wilde ontruimen. “Neemt u ze dan op in HVO?” Heldring zei: “We zij er niet om dakloosheid te faciliteren.” Toen hebben we de koppen bij elkaar gestoken en hebben we afgesproken “u verhuurt die scholen aan HVO, dan heb je geen krakers meer, maar huurders en geen geduvel.” En wij inden de huur.
Heldring kon goed met die mensen omgaan, die stond aan de wieg van het kraken. Aan het eind sloeg hij wat door, hij kreeg bij zijn afscheid een gouden koevoet van de kraakbeweging.
Met de geweldige bewondering die ik voor Heldring had, was ik toch opgelucht dat hij weg was. We zijn altijd goede vrienden gebleven. Er werd in het bestuur gesproken van de Clio-as, omdat ik toen tegenover Heldring woonde in de Cliostraat. Er is altijd een sterke band tussen voorzitter en directeur geweest.

Van den Blink ontvangt koningin Beatrix bij de opening van De Veste in 1983

Van den Blink ontvangt koningin Beatrix bij de opening van De Veste in 1983

Gesodemieter

Voor de opvolging van Heldring waren twee kandidaten: Stam en iemand met een see-through blouse en een kermisparaplu. Stam had geen gemakkelijke taak. Ik had meteen vertrouwen in hem. Wat je bij ons nodig hebt, is grote stabiliteit. Stam kwam een avondje bij mij thuis, met de dominee aan de haard, en ik heb hem gewaarschuwd, u moet een kanjer opvolgen. En dat heeft ie uitstekend gedaan. Als voorzitter ben je sterk afhankelijk van je directeur. Stam stond heel anders in het leven dan Heldring, het gaf me wel een gerust gevoel dat ik geen streken van hem had te verwachten.
Met Stam heb ik alleen wrijving over WS [Welzijnswerk en strafrechtmoeilijkheden, voormalige reclasseringsafdeling van HVO, red.] gehad toen die afdeling ontvluchte TBS’ers opving. Stam zag dat door de vingers. Het leidde tot een geweldig gesodemieter. Ik vond dat de continuïteit van HVO op het spel stond.’

Van den Blink krijgt de gouden speld bij zij afscheid van HVO in 1990

Van den Blink krijgt de gouden speld bij zij afscheid van HVO in 1990

Sterker

Op 3 september 1990 legt Van den Blink het voorzitterschap van HVO neer. Bij zijn afscheid ontvangt hij als eerste, en tot dusver enige, de titel erevoorzitter van HVO. Vier dagen later krijgt hij in de Beurs van Berlage het Ereteken van Verdienste van de stad Amsterdam, de zogeheten Gouden Speld, van burgemeester Ed van Thijn die hem prijst om zijn wijsheid en inzet en zijn vaardigheid in het overbruggen van tegenstellingen benadrukt.
‘Eind jaren tachtig groeide de organisatie snel. Eigenlijk lukte alles ons, wij kwamen in een “we are the champions” stemming,’ aldus Van den Blink. ‘Dat werd ons misgund. Waar ik een beetje voldoening over heb, voor mezelf, is dat ik de zaak sterker heb afgeleverd dan ik hem kreeg.’

De heer Van den Blink toonde in de lange periode dat hij actief was voor onze organisatie niet alleen overtuigend aan over veel wijsheid en diplomatieke gaven te beschikken, maar ook over een groot hart, waarmee hij onvermoeibaar opkwam voor de belangen van HVO en zijn cliënten. Wij gedenken hem in dankbaarheid.

Reacties ( 0 )

    Geef een reactie

    Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *