Ze knipperde bij wijze van spreken met haar ogen en toen was Shanti Changa ineens 25 jaar in dienst bij HVO-Querido. Op 3 september viert ze haar jubileum. Hoe heeft dat kunnen gebeuren? Ze kwam toch maar een paar weken om even wat geld te verdienen? Een reconstructie.
Shanti Changa wordt in 1972 geboren in Paramaribo, de hoofdstad van Suriname. Haar vader zit op de grote vaart en wil hogerop. Hij gaat daarom in Amsterdam een opleiding volgen aan de Hogere Zeevaartschool. En zo verhuist het gezin, met de kleine Shanti van anderhalf jaar oud, in de winter van 1974 naar Nederland, waar ze in Amsterdam in De Pijp gaan wonen. Haar moeder werkt ook, een tante zorgt voor Shanti.
‘Ik kom uit een warme en gastvrije Hindoestaanse familie uit Lelydorp,’ vertelt Shanti. ‘Bij mijn ouders stonden traditionele waarden hoog in het vaandel: werken voor je geld, sparen, bouwen aan je toekomst, een goede opleiding volgen, dat soort dingen. Maar ze waren ook progressief, vooral mijn moeder, en stonden open voor nieuwe ontwikkelingen.’
Wat wilde je worden als kind?
‘Eerst prinses, toen visagist en later tolk/vertaler. Reizen trok mij al vroeg aan en dat doet het nog steeds. Ik zat op de derde Daltonschool in De Pijp, best progressief. Die school was vanzelfsprekend multicultureel, net als de buurt, dat was helemaal geen issue. Zes jaar lang zat ik naast Eline, zij was wit en blond. Peper en zout werden wij genoemd.
Daarna ging ik naar het Spinozalyceum. Ik heb een wat rommelige middelbare schooltijd gehad. Via het Amsterdams Lyceum en het Joke Smit College kwam ik op de HvA terecht. Daar ben ik opgeleid tot maatschappelijk werker.’
Wat deed je voordat je bij HVO-Querido kwam?
‘Tijdens mijn studie wilde ik geen schulden opbouwen, dus ik werkte in de artiestenfoyer van Het Concertgebouw, een prachtige plek. Ik houd erg van muziek en dat gebouw ademt muziek uit elke steen. Ik kom er nog steeds graag.
Tijdens mijn studie liep ik stage bij de Fiom, best wel pittig. Met mijn diploma op zak dacht ik: ik ga naar Amerika! New York, Los Angeles, fantastisch, er gebeurt daar zoveel. Rondkijken, vooral op het gebied van eten en drinken. Wat kan ik aan ideeën meenemen naar Nederland? Want ik wilde een eigen horecazaak beginnen. Ik bleef veel langer dan gepland en op een gegeven moment was mijn geld op en moest ik terug.’
Hoe ben je bij ons terecht gekomen?
‘De kachel moest branden, dus ik naar het uitzendbureau. HVO zocht een kok. Dat leek me wel wat, koken en maatschappelijk werk tegelijk. Ze zochten bovendien een kok die ook vegetarisch uit de voeten kon en dat is door mijn achtergrond en verschillende opleidingen en cursussen een specialiteit van mij. Dus ik dacht: vooruit, ik doe het een paar weken.’
‘Het was een avontuur. Anja Doorn heeft mij aangenomen, we hadden meteen een klik. Het was bij de oude Veste, Poeldijkstraat nummer 16. Op weg naar het sollicitatiegesprek raakte ik verdwaald. Je had nog geen Google Maps. Een Surinaamse mevrouw heeft mij toen heel aardig met de auto voor de deur afgeleverd. Alsof het zo moest zijn.
Net binnen kwam ik in een vechtpartij tussen bewoners terecht met een heleboel drama. Ik dacht: nou, hier gebeurt wat!’
‘De keuken en de eetzaal waren boven. We kookten ook voor andere locaties. Ik vond het werk eerst best pittig. Het was een mannenwereld en er werd gekookt op een manier die niet bij mij paste. Weinig aandacht voor de kwaliteit van het eten. De houding voelde als: je moet dankbaar zijn voor wat je krijgt. Veel regels, vaak gedoe, het ging niet soepeltjes.
Het was vooral Hollandse pot, er was geen keuzemenu. Een beetje ouderwets. We hebben een hartstikke multiculturele doelgroep, ik dacht: dat kan toch leuker en diverser? Dus ben ik gaan koken zoals ik gewend was. Iedereen wil toch lekker eten? Het moet gewoon goed zijn.’
‘Na een tijdje vroeg Jan van Haaster, destijds de manager, of ik wilde blijven en hoofd voeding wilde worden. Dat gaf commotie, want ik was jong, vrouw en van buitenaf. Ik aarzelde, koken kon ik wel, maar ik was geen instellingskok. En hoe moest het dan met mijn eigen bedrijf? Dus ik heb het thuis en met vrienden besproken. Iedereen zei: mens, dit is jouw baan! Koken én sociaal werk, een supercombinatie.
Op voorwaarde dat ik de dingen zo mocht veranderen dat we de mensen goed eten konden voorzetten, heb ik ja gezegd.’
Wat zie jij als de grootste verschillen tussen HVO-Querido toen en nu?
‘We zijn flink gegroeid, het is echt een grote organisatie geworden. Het pionieren, een beetje dat boevige, wat ik ook leuk vind, is daardoor wat anders geworden.
Verder de breedte van de doelgroepen. Eerst hadden we vooral 24-uurslocaties waar we zorg boden en een klein plukje ambulant, nu is dat omgekeerd. Mensen wonen steeds meer gewoon op zichzelf in de wijk met ambulante zorg. Plekken als Santpoort zijn er haast niet meer.’
Zijn er ook dingen hetzelfde gebleven?
‘Ja, collega’s hebben nog steeds een warm hart voor onze cliënten. Dat vind ik het mooiste aan onze organisatie: dat we altijd voor ogen blijven houden voor wie we het doen. Onze cliënten de best mogelijke zorg willen bieden, zit in ons DNA. Daar doe ik het voor en dat zie je ook bij collega’s. Je merkt aan alles dat ze een warm hart hebben voor onze cliënten. ’
‘Wat ook is gebleven is onze mentaliteit van aanpakken en dingen voor elkaar weten te krijgen in de stad voor onze doelgroep. Vroeger was bijvoorbeeld de winteropvang steeds ergens anders en dat moest je heel snel organiseren. Dat vond ik bijzonder.
Ik kan me ook de vluchtelingenstroom in 2015 nog goed herinneren. Op een zaterdagochtend werd ik gebeld dat er mensen uit Syrië aankwamen, veel mensen. Er was een pand in Zuidoost, het Rode Kruis was al aan het schoonmaken. Dus ik erheen en vanaf dat moment was er een enorme stroom vluchtelingen waar van alles voor moest worden geregeld en gedaan.
Daar hebben we veel van geleerd en dat kwam van pas toen we vanaf 2022 mensen uit Oekraïne zijn gaan opvangen.’
‘Die daadkracht, dat handelen, die houding van: hier is echt hulp nodig en wij gaan dat fixen met elkaar. Wij regelen dat, wir schaffen das, zeg maar, dat hoort heel erg bij HVO-Querido. Waar mensen in nood zijn, zoeken wij een oplossing.’
Hoe komt het dat jij het al zo’n tijd weet uit te houden bij ons?
‘Door de afwisseling, je kunt je blijven ontwikkelen, ik heb al veel verschillende dingen kunnen doen. Naast maatschappelijk werk heb ik de opleiding Facility Management gevolgd en een master Omgevingspsychologie. Ik heb ontdekt dat inrichting en alles wat daarmee te maken heeft mij en de organisatie dient. Inmiddels heb ik al veel projecten gedaan op het gebied van het inrichten van locaties, met de Jan Maijenstraat als meest recente.
Daarnaast vind ik de mensen bij HVO-Querido leuk, ze passen bij mij. Het is heel Amsterdams en ik ben een Amsterdamse, dus dat voegt.’
Ga je met plezier naar je werk?
‘Ja, ik wil zelf blij kunnen worden van mijn werk en ik wil ook iets bijdragen, ik wil echt verschil maken voor anderen, voor de stad, noem maar op. Dat lukt allebei.’
Wat zie jij als de kracht van HVO-Querido?
‘Het is echt een Amsterdamse organisatie en de legacy van de founders, de Jonkers, voel je nog. Daarom vind ik dat Jonkertje ook zo leuk! Je doet het met elkaar, voor elkaar, ongeacht geloof, kleur of wat dan ook. Gewoon vanuit je mens zijn. Dat maakt het krachtig en dat maakt het een organisatie waar ik trots op ben om voor te werken.’
‘HVO-Querido is af en toe een beetje rebels. Dat vind ik leuk en Amsterdams. Je moet wel de balans proberen te vinden tussen rebellie en dingen goed regelen. Want er zijn ook dingen waarvan het prettig is dat ze centraal zijn geregeld. Dat er afspraken en richtlijnen zijn om de hulpverlening aan onze cliënten zo goed mogelijk te laten verlopen en dat er goede faciliteiten zijn voor collega’s en partners. Soms geven kaders juist ruimte om het mooiste te bereiken.’
Wat mag van jou wel een onsje minder?
‘Soms overleggen we erg veel, hoe belangrijk het ook is om het gesprek te blijven voeren met elkaar. We zijn op directie- en beleidsniveau een erg witte organisatie, dat mag wel wat diverser, het zou een afspiegeling van de werkvloer moeten zijn. Het is belangrijk om in verbinding te blijven met de mensen voor wie je het doet. Op de werkvloer klopt het warme hart van HVO-Querido, dat mogen we meer naar buiten laten komen.’
Hoeveel HVO-Querido Festivals (voorheen de BBQ) heb je al georganiseerd?
‘Geen idee, misschien 23? Toen ik in 2001 begon was er al een traditie van een barbecue voor bewoners en passanten van de Poeldijkstraat. Toen dacht ik: we koken toch, waarom doen we dit niet voor meer mensen? Dat is uitgegroeid tot het huidige festival. Het 100-jarige bestaan van HVO-Querido, met de koningin erbij, was een toffe editie met bijna duizend gasten.
Het mooie van dit festival is dat het echt inclusief is. Iedereen is welkom: cliënten, naasten, collega’s, buurtbewoners, partners, echt iedereen. Daarom is het jammer dat we het niet op een externe locatie vieren, dat maakt de drempel nog lager.’
‘Het festival is een stuk vegetarischer geworden. Het begon met veel vlees en een beetje vis, nu is het 60% dierlijk en 40% plantaardig.
Op het Centraal Bureau hanteren we het principe van 80% plantaardig en 20% dierlijk. Op de 24-uurslocaties zijn we in het kader van de Milieuthermometer bezig met een duurzame transitie op het gebied van eten en drinken.’
Wat beschouw jij als je beste eigenschappen?
‘Jeetje, dat moet je mij toch niet vragen! Nou goed: gastvrij, gul en creatief. Ik heb een groot hart voor de mensen om me heen.’
Waar ben je in je werk het meest trots op?
‘Dat we goed eten en drinken hebben bij HVO-Querido dat past bij onze tijd. Daarin lopen we echt voorop. Toen de centrale keuken dicht ging, kwam het eten een tijdje vooral van de leverancier. Op de 24-uurslocaties hebben we nu weer volwaardige keukens. Zo kun je meegaan in de couleur locale, in de wensen van de mensen daar. We hebben leuke koks die met veel bevlogenheid op de locaties koken. Daar kan ik echt blij van worden.’
Wie is jouw held?
‘Mijn moeder. En mijn oom, Chan Santokhi. Hij was vijf jaar lang president van Suriname. Als je bedenkt zij afstammen van twee arme Hindoestaanse contractarbeiders, van de straat geplukt in India, die aan de andere kant van de wereld een betere toekomst wilden opbouwen, dan is er heel veel gebeurd in vijf generaties. Zoveel mogelijkheden, dat geeft hoop. Mijn oom is recentelijk overleden. Met mijn kind ben ik daarvoor naar Suriname geweest en we hebben gezien wat voor impact hij heeft gemaakt op het land. Maar voor mij was hij de man die vroeger bij ons woonde, weet je. Ik ben met hem opgegroeid.’
Wat is je lievelingsgerecht?
‘Ah, een gewetensvraag. Er zijn zoveel dingen die ik lekker en goed vind. Ik houd van seizoensgebonden gerechten. Meegaan met wat op dat moment het lekkerste, het mooiste en het fijnste is. Als het gaat over heimweegerechten, dan kippensoep en Surinaamse bruine bonen.’
‘Eten doe je ook om met elkaar te delen. Eten delen is verbinden. Je deelt wat jij hebt klaargemaakt, je laat elkaar proeven wat je lekker vindt. Je gaat uit van de gedachte: er is genoeg. Er is genoeg eten op de wereld, het is alleen oneerlijk verdeeld. Dus als je deelt, heb je een andere grondslag van waaruit je elkaar ontmoet. Dat is voor mij de essentie van goed eten. Eten is zo’n belangrijk onderwerp omdat het in de kern raakt aan hoe je als mensen met elkaar omgaat. Eten is als liefde, er is genoeg beschikbaar, je moet het met elkaar willen delen.’
‘In Suriname zijn ze daar goed in. Je krijgt overal eten en drinken. Toen ik op de lagere school zat, had je nog geen overblijf. Dus ik ging ’s middags thuis eten en er konden altijd kindjes mee, dat was nooit een probleem. Maar andersom was dat niet vanzelfsprekend. ’s Avonds hetzelfde, als mensen gingen eten moest ik naar huis. Bij ons thuis was en is dat anders, als je er bent dan eet je mee. Het is geen vraag of dat wel kan, je bent gewoon welkom.’
Waar heb jij een hekel aan?
‘Oneerlijk gedrag vind ik vervelend. Het mag wel wat oprechter. Ik maak me ook zorgen over polarisatie.’
Wat is je favoriete ontspanning?
‘Ik dans heel graag, dat vind ik mijn hele leven al fantastisch. Voor mij geen verjaardag met zo’n kringetje met stoelen. Over mijn jubileum op 3 september heb ik gezegd: één ding, als we maar goede muziek hebben en een dansje kunnen doen. Want zo vier je het leven.’






