Verhalen

Een eigen vrijhaven

14 september, 2026

Rózsa Bogan heeft al zeventien jaar contact met bewoner Herman. Ze kwam hem voor het eerst tegen toen ze begon als stagiair bij Straetenburgh, een voormalig sociaal pension van HVO-Querido. Nu ze als persoonlijk begeleider bij ons Team Zuid werkt is Rózsa de vaste begeleider van Herman.

Herman Schmidt (1959) woont met begeleiding van Team Zuid van HVO-Querido alweer twaalf jaar in het rustige en groene Buitenveldert. Aanvankelijk hoefde dat van hem niet zo. Liever was hij in 2014 met de bewoners van het voormalige pension Straetenburgh in de Rivierenbuurt, de voorloper van Robert Koch Wonen, meeverhuisd naar de Watergraafsmeer. Maar Herman werd daar toen ‘te goed’ voor bevonden, hij had meer in zijn mars, hij kon met ambulante begeleiding prima zelfstandig wonen.

Zelfstandig wonen

Dat hadden de begeleiders destijds goed gezien. Herman gedijt uitstekend als zelfstandige Amsterdammer. Zijn woning is een paleisje, met zorg, smaak en creativiteit ingericht en onderhouden. Het is er vol, maar op een gezellige en verzorgde manier. Opgeruimd en schoon, met veel kunst, boeken en mooie, persoonlijke spullen.

Autoriteit

Herman is geboren in Amsterdam. Op zijn tiende jaar verhuist hij met zijn ouders naar Arnhem.
‘Mijn ouders waren autoriteiten voor mij als kind,’ vertelt Herman. ‘Ze waren er vaak niet, want ze waren altijd aan het werk. Misschien heb ik daarom moeite met autoriteit. Ik vind de hele wereld niks, maar voor mijn ouders had ik respect.
Als jonge jongen wilde ik bij de marine, wat van de wereld zien. Maar lichting 1959 is niet opgeroepen voor militaire dienst. Ze hadden te weinig geweren en helmen, denk ik.’

Herman en Rózsa op de bank

Herman en Rózsa op de bank

Kibboets

‘Toen heb ik een jaar vrijwilligerswerk gedaan in een kibboets in Israël,’ vervolgt Herman. ‘Dat was vanwege mijn Duitse naam en door de scholing die ik gehad heb. De Tweede Wereldoorlog was vroeger echt een ding, iedereen had het er steeds over. Misschien moet ik iets aardigs doen voor Joodse mensen, dacht ik toen.

Ik ging samen met mijn vriendin naar Israël. We hadden goed geld. Ik werkte als nachtportier en zij was tandartsassistente. Maar zij ging na een maand alweer terug en ik ben een vol jaar gebleven. Daarna ben ik door Egypte gaan reizen en vanaf Athene naar huis gelift.’

Dakloos

‘Thuis kreeg ik knallende ruzie en toen werd ik dus dakloos. Eerst in Arnhem, later ben ik naar Amsterdam vertrokken omdat ik daar meer kansen zag als dakloze.
In die tijd leerde ik een Oostenrijks meisje kennen, Sabine heette ze, en samen zijn we naar Griekenland gereisd. Op Kreta ben ik haar kwijtgeraakt. Daar ben ik blijven hangen in een hippiekolonie met echte drifters. Allemaal zonder papieren natuurlijk. Sinaasappels plukken, olijfolie persen.’

Naar HVO

‘Terug in Nederland brak ik mijn rug. Dwarslaesie. Revalideren in Leersum, De Hoogstraat. Na vijf maanden ben ik er daar uitgebonjourd, met korset en al. Dat is toch raar? Het heeft een tijd geduurd, maar uiteindelijk heb ik uitgevonden hoe daar redelijk mee om te gaan.
Toen kwam ik bij HVO terecht, bij de Veste. Eerst als passant. Dan moest je voor de deur staan om vijf uur. Dan kon je erin, douchen en dan eten met zo’n nachthemd aan. Later als bewoner. Bij de Veste heb ik vijf jaar gewoond.’

Herman in een shirt van de Petrus en Paulus Crypte, de bakermat van het Drugspastoraat in Amsterdam

Herman in een shirt van de Petrus en Paulus Crypte, de bakermat van het Drugspastoraat in Amsterdam

Vrijhaven

‘Daarna kreeg ik een eigen woning in de Wormerveerstraat. Een benedenhuis met een tuin. Daar heb ik vijf jaar gewoond. Maar de buren gingen gek doen, steeds gekker. Toen ben ik eruit gestapt en was ik weer dakloos.
Na drie jaar kwam ik bij Straetenburgh terecht, weer bij HVO, in een oud klooster aan de Vechtstraat. Daar heb ik acht jaar gewoond.
We aten in de refter, een mooie zaal. Ik ben blij dat ik dat heb meegemaakt. Straetenburgh was echt een vrijhaven.’

Naar mijn zin

‘Volgens mij kijk jij er als enige een beetje positief op terug,’ zegt zijn begeleider Rózsa Bogan (1991). Haar naam is Hongaars, haar opa vlucht in 1956 voor het Sovjetleger naar Nederland. ‘Herman en ik kennen elkaar uit de tijd van Straetenburgh. Ik was achttien toen ik begon bij HVO-Querido als stagiair. Ik wist niet precies waarvoor ik kwam, laat staan dat veel mensen daar verslaafd waren. Ik wilde gewoon naar Amsterdam en goed en niet saai werk doen.
Daarna werd ik invaller, ondersteunend begeleider en zo verder. Ik ben steeds meeverhuisd en gebleven. HVO-Querido is gewoon een fijne werkgever. Ik heb het nog steeds naar mijn zin.’

Eetzaal voormalig pension Straetenburgh, 2007

Eetzaal voormalig pension Straetenburgh, 2007

Vrijheid

‘Straetenburgh was een bonte verzameling mensen,’ aldus Herman. ‘Je kon er blowen en rustig met je biertje naar binnen lopen. Een echte vrijhaven. De armsten van de armsten woonden daar. De harddrugs die zij kochten was rotzooi. Daarom ging er regelmatig iemand de pijp uit.
Hele kleine kamertjes, celletjes eigenlijk, en toch veel vrijheid.’

‘We kregen we zakgeld, vier tientjes in de week. Als je wat deed tenminste. De straat vegen, de was, prullenbakken legen, afruimen, ik was altijd bezig. In die tijd liep ik vijf uur per dag over straat. Altijd met het vingertje in de parkeerautomaat want daar zat vaak een euro in of meer. Die haalde ik eruit en dan ging ik naar de coffeeshop een joint halen.’

Herman thuis

Herman thuis

Werk

‘Herman mocht niet mee naar het Robert Kochplantsoen,’ weet Rózsa, ‘vanwege de ambulantisering. We moesten van 60 bewoners naar 38. Zo ben je hier gekomen. Maar jij wilde niet. Jij werkte toen toch bij Pantar?’

‘Ja, op de tuinderij bij Sloterdijk,’ beaamt Herman. ‘Stekken, eindeloos stekken. Daar heb ik jaren gewerkt, tot aan mijn pensioen, twee jaar geleden. Of het nou regende, stormde of sneeuwde, ik ging altijd op de fiets. Nooit een dag werk gemist.
Iemand die werkt, staat in de wereld. Als je stopt met werken, blijf je stilstaan. Door alle beweging heb je ook lichamelijk een voordeel. Dat is beter dan op de bank zitten.’

Niet te koop

Herman in vroeger jaren, op het Rembrandtplein

Herman in vroeger jaren, op het Rembrandtplein

‘Al vroeg in mijn leven heb ik een keuze gemaakt: ik ben niet te koop en ik ga niet werken voor geld,’ zegt Herman. ‘Daar hangt een prijskaartje aan. Bijvoorbeeld dat ik nu niet met een glaasje champagne in de tuin sta. Alles kost bakken met geld. Weet je wat een pakje shag kost? 24 euro!
Maar goed, ik rook mijn jointje, drink een glaasje witte wijn en ga lekker de stad in. Alles op de fiets. En ik trap zelf hè, niks elektrisch. Uit ervaring weet ik dat er weinig asociale fietsers zijn, wat je van automobilisten niet kunt zeggen.’

Mannetje

‘Ik heb trouwens wel gewerkt hoor,’ vertelt Herman. ‘Ooit had ik een goede baan bij AEG. Schakelkasten bouwen voor de telefonie. Ik verdiende 2000 in de maand met een huur van 300. Dus iedere maand had ik ruim anderhalf duizend om uit te geven. Met een stoel van 1400 ballen en een eettafel van 1800. Een Mexicaanse olifant van blauw marmer, een Whirlpool bovenlader. Ik liep op Van Bommelschoenen, kocht kleren bij Maison de Bonneterie, gewoon om het op te maken. Echt een mannetje. Ik gaf geld weg, ik was lid van Natuurmonumenten.’

Uit huis gezet

‘Toen was ik een keer mijn sleutels kwijt en heb een slotenmaker laten komen en die moest cash hebben. Om de hoek zat een opkoper en toen heb ik wat spullen verkocht. Ineens dacht ik: neem de rest ook maar mee!
Ik draaide een beetje door en haalde allerlei mensen in huis. Het werd een volledige puinzooi. Toen kreeg ik een brief en moest eruit. Maar dat was een mooi huis.’

Boeken

‘Ik lees veel. Engelstalig, Duits probeer ik weer,’ aldus Herman. ‘Boeken over geschiedenis, over de natuur. Maar ook Stephen King bijvoorbeeld. Of over seriemoordenaars in Amerika, heerlijk. Je hebt overal van die boekenkastjes, toch. Daar haal ik boeken uit. Ik probeer te onthouden waar ze vandaan komen, dan zet ik ze ergens anders weer neer, zodat het een beetje rouleert in de stad, want dat is goed.’
‘Voor je verjaardag vraag je ook altijd boeken,’ weet Rózsa.

‘Bij verhalen vind ik het fijn als er niet teveel wordt uitgelegd. Bijeen detective op tv stap ik er altijd even uit. Dan heb je wat gemist en moet je nadenken, anders is het te makkelijk.’

Dankbaar

Herman: ‘Wat ik van Rózsa vind? Wat is dat nou voor een rare vraag! Toen ik dertig was, was zij nog niet geboren. Ik heb respect voor haar. Ik ken haar al heel lang, ze komt iedere week en ze komt altijd op tijd. Ze doet haar werk goed en ze helpt mij, daar ben ik dankbaar voor. Soms geeft ze me ook kleren, dat helpt als je weinig te besteden hebt. Ze is getrouwd, wat wil je nog meer weten?’

Creatief

Rózsa: ‘Ik heb van Herman geleerd dat je je huis heel leuk kunt maken met niks, met dingen die niets kosten. Dat je van dingen die je op straat vindt iets weet te maken. Om te zien: daar kan ik wat mee, daar moet je creatief voor zijn. Dat vind ik bewonderenswaardig.’

Herman: ‘Als ik normaal had door geleefd, dus met een huwelijk, een gezin en een baan, dan had ik misschien wel zo’n huis gehad als mijn ouders. Met een bank en een auto en zonder opsmuk. Maar ik ben alleen en moet het zelf bijhouden. Dat kan omdat ik dus niet die baan heb. Ik kan doen wat en wanneer ik wil. En als ik stof zie, dan maak ik het schoon.’

Deel dit verhaal:

Meer lezen?

Bekijk dan al onze verhalen.