Fenny Drost werkt sinds 1978 in de psychiatrie en vanaf 1986 bij ons. Binnenkort gaat ze na ruim 39 jaar van haar welverdiende pensioen genieten. Nou ja, een beetje dan, want in januari komt ze weer een dag per week bij HVO-Querido werken. Uiteraard in het Judith van Swethuis.
Fenny Drost (1958) is geboren en getogen in Amsterdam. Ze groeit op in de Stadionbuurt. Het gezin woont klein, driehoog aan de Olympiaweg. Haar vader werkt bij de Sociale Verzekeringsbank, haar moeder is huisvrouw, ze heeft twee oudere zussen.
Fenny bezoekt de 2e Daltonschool aan de Willem Witsenstraat, tegenover het Hilton. ‘Op die school zaten ook hele rijke kinderen,’ vertelt Fenny. ‘Meisjes met een slaapkamer groter dan ons hele huis. Maar dat was helemaal geen issue. Ik heb me nooit minder gevoeld of gedacht wat voor oude kleren wij droegen. Daar was toen niemand mee bezig.’
Psychiatrie
Als ze als tiener de film One Flew Over the Cuckoo’s Nest ziet, weet ze het zeker, ze gaat in de psychiatrie werken. ‘En ik wist ook meteen: ik ga dat heel anders doen,’ vertelt Fenny. ‘De bewoners in die film werden zo onheus bejegend. Dus na de havo heb ik gesolliciteerd bij de Valeriuskliniek. De directrice, An Poot, vond mij heel geschikt, maar te jong en te giechelig. Toen heb ik een jaar bij de accuwacht gewerkt met alleen maar mannen, best pittig. Daar heb ik van me af leren bijten. Opnieuw gesolliciteerd bij de Valerius, “zo, jij bent een volhouder,” en daar mijn opleiding tot B-verpleegkundige afgerond. Dat giechelige hebben ze er nooit uitgekregen.’

‘Querido had socialisatie in groepen hoog in het vaandel staan,’ aldus Fenny over deze foto met bewoners van het Judith van Swethuis uit 1989. ‘Samen eten past daarbij. Aan tafel heb je vaak de beste gesprekken.’
Heftig
‘Bij de Valerius moest je meteen in het diepe,’ aldus Fenny, ‘meteen de vloer op. Elke maand één week school en drie weken werken. Als beginneling op de afdeling maak je best heftige situaties mee, zeker op de opnameafdeling. Suïcides, de isoleercellen werden nog gebruikt. Ik heb er veel geleerd, ook wat ik niet wilde. Zo is forceren niet mijn ding. Iemands maag spoelen? Nee, ik wil liever met mensen in gesprek.
Toch heeft onze hele groep het overleefd, we hebben na drie jaar allemaal onze diploma gehaald.’
Rafelrandje
Fenny: ‘Alles vond ik daar leuk en vooral de bewoners. Het onverwachte van die mensen, het andere. Mensen met een rafelrandje, mensen die geen poseurs zijn, ik voel geen ongemak, ik voel me daar juist heel senang bij. Dat heb ik nog steeds. Ik ben altijd nieuwsgierig naar de ander, ik maak snel contact. Graag maak ik een praatje met mensen, met bewoners hier ook.
Collega’s zeggen wel eens: jij kunt mensen lezen. Dat is niet zo, maar ik kan wel goed stemmingen aanvoelen. Dat begon met mijn moeder. Zij was heel lief, maar je moest op je hoede zijn voor haar stemmingswisselingen. Zij was denk ik een beetje bipolair, neurotisch heette dat toen.’
Alles kon
‘Daarna heb ik vier jaar in de P.C. Hooftstraat gewerkt op een verblijfsafdeling voor oudere dames. Heel prettig. Leuke collega’s, leuk team, alles kon en alles mocht. Uitstapjes maken, op vakantie met bewoners, samen koken. Ik nam ze wel eens mee naar huis om mijn dieren te laten zien. Vonden ze hartstikke leuk. Veel bewoners hadden geen familie.
Toen ben ik even waarnemend afdelingshoofd geweest in Osdorp, bij de Stichting Verpleeghuizen Amsterdam. Dat was nog ouderwets: vier mensen werden gedoucht met één slang. Dat lag me niet. Ik houd helemaal niet van hiërarchische systemen.’
Queridohuis
In 1986 begint Fenny bij de Queridostichting als woonbegeleider in het Queridohuis aan het Robert Kochplantsoen in de Watergraafsmeer. ‘Langdurige zorg was dat, heel leuk,’ vervolgt Fenny. ‘Jan Jumelet werkte daar, Koen van de Pols, Evert Bod was er uitzendkracht. Toch was ik daar niet heel gelukkig. Het was mijn taak om bewoners uit bed te praten en te zorgen dat ze naar de dagbesteding gingen. En dan was het klaar. Maar ik wilde juist zelf iets met die mensen gaan doen. Het hele milieu was nogal therapeutisch, terwijl ik ook voor wat ontspanning wilde zorgen voor bewoners, door bijvoorbeeld een disco te organiseren. Maar dat kon daar niet.’
Judith van Swethuis
‘Toen kwam ik op een verjaardag Peter Lokkerbol tegen en die heeft me overgehaald om bij het Judith van Swethuis te gaan werken. Dat was in 1987, we hadden nog het oude huis aan de Mirandalaan. Dat gebouw nodigde uit tot veel lol. Met een mooi trappenhuis en een fantastische theaterzaal. Daar hebben we heel wat revues en bonte avonden georganiseerd.
Maar ja, bewoners sliepen samen op een kamer. Met twee, soms drie mensen. Dus er moest iets nieuws komen. We hebben toen ruim een jaar in een vleugel van verzorgingshuis Osdorperhof gebivakkeerd, een hele hoge flat. In 1998 kwamen we terug in de nieuwbouw, het huidige Judith van Swethuis, supermooi.’
Cirkel
‘In november 1996 is mijn man plotseling overleden,’ vertelt Fenny. ‘Was ik ineens weduwe met een zoon van zeven. Ik stond met de rug tegen de muur. Werk, inkomen, wisseldiensten. Hoe moet dat nou?
Dat is ook iets van mijn tijd bij HVO-Querido: ik ben hier getrouwd, ik ben hier zwanger geweest en ik heb hier mijn man verloren. En ze hebben altijd met mij meegedacht. Ze hebben me altijd geholpen om een oplossing te vinden. Ik ben dankbaar voor het vertrouwen dat ik heb gekregen.
Mijn man, Herman van der Lichte, werkte bij HVO, in het Jonkerhuis, met vluchtelingen. Dus ik kende HVO al voor de fusie. Ook frappant: mijn zoon Joël werkt als begeleider bij de Oosterparkbuurt van HVO-Querido. Hij ging als kind wel eens mee naar mijn werk. Daarmee is de cirkel voor mij wel rond.’

‘Jij bent een heel klein vrouwtje, zei deze bewoner,’ vertelt Fenny bij een foto uit 2007. ‘Oké, lang ben ik niet, maar dit was wel een hele grote meneer.’
Fusie
‘De fusie van HVO en Querido was een clash van culturen. Wij van Querido waren een beetje keurig, het meeste was goed geregeld. Querido had de zaakjes op orde, HVO bracht schulden mee. Bij HVO werkten ook best wel ruige gasten, van die socialistische types, actievoerders. Wie liepen er dronken te schreeuwen op de eerste gezamenlijke personeelsfeesten? Die lui van HVO!
De directeuren van HVO waren aardige mensen. Aart Spek van Jonker was een hele lieve man.
Ik heb een termijn in ondernemingsraad gezeten. Daarin lag ik wel eens in de clinch met Jaap Fransman, de algemeen directeur. Professioneel dan, want dat was ook een lieve man. Hij kwam koffie drinken bij Het Vestzak en dan was hij echt geïnteresseerd in de mensen.’
Het Vestzak
‘Na de dood van mijn man was er heel netjes een mouw aan mijn rooster gepast, maar ik vond het naar collega’s niet fair dat ik als enige niet ’s avonds en in het weekend hoefde te werken. Dus toen ben ik in 1998 overgestapt naar DAC Het Vestzak, een activiteitencentrum voor ouderen in het Henriette Roland Holsthuis in Amsterdam Zuidoost. Marion van Evelingen was daar de teamleider, die kende ik nog van de VK. Daar heb ik twaalf jaar gewerkt. Tussendoor werkte ik af en toe bij DAC De Miranda, ik houd van afwisseling.
Het Vestzak was heel huiselijk. Een goede sfeer. Veel mensen die daar kwamen zagen elkaar ook privé. Toen Het Vestzak werd opgeheven hebben we met z’n allen gehuild.’
De Poel
‘De teloorgang van Het Vestzak kon ik niet aanzien,’ verzucht Fenny, ‘daarom was ik al eerder overgegaan naar De Poel aan de Poeldijkstraat. De Poel was heel anders. Daar kwamen geen lieve bejaarden, maar weerbarstige mannen die je aan het werk moest zetten. O, my god. Ik was veel te lief, zeiden ze. De Poel was een gezellige chaos. Het was de toko van Myrjam Jiskoot, zij heeft me goed geholpen, ik heb er ruim vier jaar gewerkt.’
Judith van Swethuis (2)
Fenny: ‘Op een gegeven moment kwam de vraag: wat zou je nou nog echt graag willen? Dat was voor mij: terug naar het Judith van Swethuis. Dat is nog een gedoe geweest, met een vacature die mij op het lijf geschreven was, maar weer werd ingetrokken en meer.
Evert Bod was hier toen teammanager, die kende ik al een tijdje. Ik zei: het kan toch niet zo zijn dat er voor bewoners van het Judith van Swethuis geen activiteitenbegeleiding is? Daar is uiteindelijk een oplossing voor gevonden.
Gewaardeerd
Dus heb ik de activiteitenbegeleiding hier, met hulp van een bewoner, en samen met de koks Henk en Peter, weer op poten gezet. Deze bewoner organiseerde hier al dingen zoals bloemschikken en disco. Verder kon ik mijn gang gaan en het vormgeven zoals ik wilde. Van heel veel mensen heb ik spullen gekregen, van anderen veel vertrouwen. Al snel ging het lopen. We spelen ook een rol bij alles wat er te vieren valt, bij de feestdagen.
Ik voel me hier gezien, gehoord, gesteund, gedragen en gewaardeerd.’
Rebels
‘Het meest houd ik van mensen bij wie je een beetje je best moet doen om ze te bereiken,’ zegt Fenny. ‘Als dat lukt ben ik supergelukkig. Ik houd ervan als het uitdagend is. Altijd praat ik met mensen, ik laat merken dat ik ze ken en herken, ik noem ze bij hun naam.
Bewoners mondiger maken, daar houd ik van, een beetje rebellie. Weten wat je rechten zijn. Gewoon zeggen wat je ervan vindt, ook als je iets niet leuk vindt. Ik heb ook wel eens een mindere dag, maar ik probeer altijd tijd te maken voor bewoners. Er voor ze te zijn. Ik zeg bijna nooit nee. Ik ben zichtbaar in huis, ik zit bijna nooit in een kantoortje. Mensen vragen mij de hele dag van alles.
Ik kan best goed organiseren, het loopt nooit volgens plan, ik ben meer van de losse pols, maar het komt uiteindelijk altijd goed.
Mijn kracht is ook mijn zwakte. Daarom kom ik meestal bekaf thuis.’
Doen
‘Wat mij betreft moet HVO-Querido de dingen blijven doen waar we goed in zijn, stelt Fenny. ‘Dus ook acute hulp blijven verlenen aan mensen die dat nodig hebben. Vluchtelingen, vrouwen en kinderen in nood, Oekraïners, noem maar op. Gehoor geven aan signalen uit de samenleving.
De krachtmethodiek is heel mooi. Maar soms moet je ingrijpen en mensen echt weer even op de been helpen. Dat kunnen wij. Je moet zorgen dat mensen goed in beeld blijven, ook als ze weer op zichzelf wonen.’
Laten
‘Er mogen van mij minder projectgroepen en vergaderingen zijn. Minder bureauwerk en meer persoonlijk contact. De afstand tussen het Centraal Bureau en de vloer vind ik nog altijd groot en het mag ook minder hiërarchisch.
De organisatie moet goed luisteren naar de vloer en oppassen dat de rek er niet uitgaat bij medewerkers. Je moet zorgen dat mensen hun zegje kunnen doen en zich gehoord weten. Daardoor blijven ze verbinding met de organisatie voelen.’
Belangstelling
De mensen van ons Mobiel team, daar heb ik echt bewondering voor. Als ik jong was, dan zou ik daar gaan werken. Vanuit een oprechte belangstelling in de medemens naast de ander gaan staan en verbindingen leggen.
Er wordt wel gepraat over professionele distantie, over afstand houden, maar dat doe ik nooit. Onze bewoners zitten allemaal in mijn hart. Dat is altijd zo geweest.
Na ruim 39 jaar leer ik nog elke dag en sta ik nog steeds te kijken van onze bewoners. Van hun veerkracht, hun optimisme en mogelijkheden. Ik voel me soms net een trotse moeder.’
Afscheid
‘Op 15 december, op mijn verjaardag, ga ik officieel met pensioen. Maar ik heb nog een heleboel vrije dagen staan en daardoor is 19 september mijn laatste werkdag. En dan word ik ergens begin september nog in het zonnetje gezet. Informeel, met bewoners. Daar mag ik met niet mee bemoeien, dat vind ik lastig, ik houd graag de regie.
Poespas bij je afscheid hoort erbij, maar voor mij hoeft het niet, ik hoef geen podium. Ik ben nooit ambitieus gewest, ik ben altijd op de vloer gebleven.’
En weer terug
‘Nu ga ik eens kijken hoe het is om vrij te zijn. Misschien ga ik nog eens een zielige hond uit het asiel halen.
Omdat ik toch wel een beetje tegen mijn pensioen opzie, kom ik vanaf januari voor één dag in de week terug bij het Judith va Swethuis. Betaald, ik ga niet als vrijwilliger een baan afsnoepen. Inmiddels heb ik een leuke nieuwe collega, Simone Magalhães Lugão. Samen gaan wij hier de activiteitenbegeleiding doen. Ik ga haar een beetje inwerken, maar je moet het uiteindelijk op je eigen manier doen. Ik zorg wel voor de chaos.’








