Geschiedenis

HVO-Querido, de voorgeschiedenis

Uiteraard komt de oprichting van Hulp voor Onbehuisden in 1904 door het echtpaar Jonker niet zomaar uit de lucht vallen. Daarom breiden we onze toch al rijke traditie nog wat uit door te kijken naar wat daar in Amsterdam aan voorafgaat.

Eind 1891 richt het ‘voorlopig comité tot het verlenen van huisvesting aan onbehuisden in Nederland’ zich met vier vragen tot de burgemeesters:
1. Zijn er in uwe gemeente personen, die geen huisvesting hebben; zo ja, hoe groot is hun aantal: a. des zomers; b. des winters? 2. Hoeveel mannen, hoeveel vrouwen en hoeveel kinderen bevinden zich onder hen? 3. Hoeveel gezinnen zijn daaronder? 4. Hoe groot zijn deze? (Algemeen Handelsblad, 18 december 1891)

De leden van het voorlopig comité tot het verlenen van huisvesting aan onbehuisden in Nederland.

De leden van het voorlopig comité tot het verlenen van huisvesting aan onbehuisden in Nederland. Van links naar rechts en van boven naar beneden: Tindal, Heineken, Kuyper, De Koo, Levy, Tours, Van Waterschoot van der Gracht, Grothe.

Dit comité bestaat naast voorzitter jonkheer Henry Tindal (publicist en ondernemer, richt twee jaar later De Telegraaf op, H.J. Scheffer schreef zijn levensverhaal: Een ongewoon heer met ongewone besognes), uit Gerard Heineken (zwager van Tindal, grondlegger van het bierimperium, over wie recent een biografie verscheen van Annejet van der Zijl en over wie in 2014 een tentoonstelling is te zien in het Stadsarchief van Amsterdam), dr. Abraham Kuyper (hoogleraar, oprichter van de Vrije Universiteit, politicus en staatsman), Johannes de Koo (journalist, hoofdredacteur van dag- en weekblad De Amsterdammer), Isaac Abraham Levy (advocaat, lid van de Tweede Kamer voor de Liberale Unie), J.A. Tours (predikant, later directeur van Ons Huis, het eerste buurthuis van Nederland), W.S.J. van Waterschoot van der Gracht (notaris, katholiek gemeenteraadslid, later senator) en Alexander Grothe (medewerker van Tindal, getrouwd met de zus van diens vrouw) die optreedt als secretaris.

Spotprent van Johan Braakensiek in Abraham Prikkie's Op- en Aanmerkingen (1893).

Spotprent van Johan Braakensiek in Abraham Prikkie’s Op- en Aanmerkingen (1893).

De samenstelling van het comité laat zien dat het een breed gedragen particulier initiatief is. Alle groepen in de samenleving zijn vertegenwoordigd, behalve de socialisten. Hierover verschijnt dan ook een spotprent van Johan Braakensiek in het satirische tijdschrift Abraham Prikkie’s Op- en Aanmerkingen: Tindal c.s. schieten met hun Toevlucht voor onbehuisden onder de duiven van Domela Nieuwenhuis en de zijnen.

Zwanenburgerstraat

In het comité discussiëren Kuyper en De Koo, beiden tenslotte ook krantenmannen, over de gewenste benaming voor de doelgroep, daklozen of onbehuisden. Johannes de Koo schrijft op 21 november 1891 vanuit Felix Meritis aan Abraham Kuyper, die op dat moment hoogleraar godgeleerdheid is aan de VU:

‘Waarde Professor, uw theorie omtrent het woord dakloozen gaat, geloof ik, niet op, denk maar eens aan broodeloozen. Maar de onbehuisden in Prof. de Vries, zullen, meen ik, door de goegemeente ook niet dankbaar geaccepterd wotden.
Dak is, in dakloozen, beeldspraak – en een zeer goede, waarbij geen misverstand mogelijk is: zonder dak – dek – beschutting enz. Onbehuisd – zonder huis of huiselijke inrichting – is geen beeldspraak, maar sluit tent, kajuit enz. uit in zijn beteekenis. Men kan kan onbehuisd zijn en toch niet dakloos.’

Kijk hier om deze brief te lezen. (Met dank aan het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme van de VU.)  Hoewel beide termen door elkaar worden gehanteerd, gaat de voorkeur van het comité uiteindelijk uit naar de naam onbehuisden.

Een jaar later koopt men een grote voormalige diamantslijperij in de Amsterdamse Zwanenburgerstraat, op nummer 18 en 16a, die ‘zal worden ingericht als toevluchtsoord voor daklozen, die er ligging en voedsel zullen vinden.’ (Rotterdamsch nieuwsblad, 10 december 1892)

Spotprent van Johan Braakensiek in Abraham Prikkie’s Op- en Aanmerkingen.

Spotprent van Johan Braakensiek in Abraham Prikkie’s Op- en Aanmerkingen.

Volgens sommigen neigt dit initiatief naar overdreven luxe, dat bovendien een ongewenste aanzuigende werking heeft. Het comité is van plan ‘om die zwervers des avonds een warm bad te geven en in verwarmde kamers te laten slapen. Dit nu is volgens velen een ziekelijke philanthropie; warme baden hebben de gezeten werklui ook niet en verwarmde kamers missen maar al te velen ook. Zoo iets zal zeggen ze, de behoeftigen van alle oorden des lands naar Amsterdam doen stromen.’ (Leeuwarder courant, 19 december 1892)

‘Het is een puur genot om in Amsterdam armlastig te wezen,’ schampert de schrijver Justus van Maurik vanuit Indië, ‘binnenkort krijgen we hier nog een huisvesting voor onbehuisden, waar ze je voor niemendal een warm bad, schoon goed en patente ligging geven. Kerel! ’t is te Amsterdam een patente boel, een waar lui lekkerland voor lui zonder middel van bestaan.’ (Bataviaasch handelsblad, 18 januari 1893)
De Toevlucht voor onbehuisden pretendeert niet hiermee een nieuw zorgconcept te lanceren. ‘De inrichting is enigszins geschoeid op den leest van het toevluchtsoord van het Leger des Heils, alleen met dit onderscheid dat in deze nieuwe inrichting voor geen enkele richting of godsdienst propaganda zal worden gemaakt.’ (Het nieuws van den dag, 10 december 1892)

Op 1 april 1893 is de opening. ‘Amsterdam zal met 1e april een grote instelling rijker zijn. Dan zal het asyl voor onbehuisden geopend worden, dat aan den Binnen-Amstel met grote witte letters aandacht trekt.’ Waar eens in de diamantslijperij de ruwe steen werd bewerkt, zo zal men ‘van de ruwste en onbeschaafdste mensen brave en eerlijke burgers trachten te maken.’ De Toevlucht gaat ook de concurrentie aan met slaaphuizen en logementen in het onderste segment van de markt, waar de omstandigheden vaak veel te wensen overlaten. De voorziening is ook voor mensen die ‘te veel betamelijkheidsgevoel hebben om een onderkomen te zoeken in de slaapsteden van den Duvelshoek en de Jordaan.’ (De Telegraaf, 24 maart 1893) Zie over de Duvelshoek bijvoorbeeld Justus van Maurik.

blauwbrug-toevlucht

De Binnenamstel gezien vanaf de Blauwbrug, de Toevlucht is het tweede grote gebouw van rechts.

Het pand biedt plaats aan ongeveer vierhonderd personen. Verblijf is er niet gratis, wie ‘van de gelegenheid gebruik maakt om in de inrichting te slapen, moet ene kleinigheid betalen.’ De prijzen variëren, met afnemende privacy, van 30, 25, 15 tot 10 cent per nacht, Wie niets heeft te besteden, moet in het tehuis werken. (Algemeen Handelsblad, 30 maart 1893) Het gebouw is verdeeld in twee afdelingen, de vrouwenafdeling aan de kant van de Zwanenburgerstraat en de mannenafdeling aan de kant van de Amstel.

‘Amsterdam is een inrichting rijker geworden, die voor vele ongelukkigen een ware uitkomst bieden zal, namelijk de Toevlucht voor onbehuisden. […] Aan de zijde van den Binnen-Amstel vindt men de mannen-afdeeling; aan de zijde der Zwanenburgerstraat die voor vrouwen; de beide afdeelingen zijn door een binnenplaats gescheiden.’ (De Standaard, 1 april 1893)

Henry Tindal

Henry Tindal

Voor zijn feuilleton ‘Amsterdams schetsboek’ bezoekt Samuel Falkland (een pseudoniem van Herman Heijermans) in 1895 de Toevlucht voor Onbehuisden.
‘Persoonlijk houd ik niet van het Heilsleger. Ik houd niet van het soort godsdienstig ceremonieel, dat platte vormen noodig heeft om indruk te maken op een volk. Maar om de resultaten, om het maatschappelijk werk vind ik élke beweging, voorloopig, goed.
De Vereeniging Toevlucht voor onbehuisden minder aan de weg timmerend, minder krijgslawaai makend, meer eenvoudig en rustig werkend dan het Heilsleger heeft, na wat ik gezien heb, mijn zeer groote symphatie.’
Heijermans vertelt iets over de werkplaats. ‘De bordjes “Bulletin van De Telegraaf“, die bij alle agenten van dit blad in de provincie te zien zijn, zijn bijv. in het Toevlucht vervaardigd.’
Mijn eindindruk van het Toevlucht voor onbehuisden is, dat hier op degelijke, oud-Hollandsche wijs iets gedaan wordt en dat de inrichting tegelijk een prachtige proefneming is: de werkkracht van een groot huisgezin ten bate van dat huisgezin.
Volgens Heijermans is de Toevlucht voor Onbehuisden ook een probaat middel tegen modieuze fin de siècle kwalen. ‘Ik raad allen die zich vervelen, embêteeren, het leven doelloos vinden etc. aan, te gaan kijken naar de 3e of 4e etage van het Toevlucht en er een nacht op een veldbed door te brengen. Misschien verjaagt dat de verveling, de weelderigheid, de eenzelvigheid. Misschien…’ (De Telegraaf, 12 januari 1895)

Literatuur

De Toevlucht voor onbehuisden laat meer sporen na in de Nederlandse literatuur.
Herman Heijermans schrijft in 1895 een gedicht ter gelegenheid van een weldadigheidsfeest ten bate van de Toevlucht voor Onbehuisden. Eén van de twaalf strofen luidt aldus:

Ik ken een huis, dat kinders star bekijken
Met strakke oogen en met stil gebaar,
Daar groote menschen ’t allen schuw ontwijken,
Wijl muren zakken licht’lijk in elkaar.

1893-toevlucht-detail

De Toevlucht, 1983

Het gedicht is opgedragen aan mevrouw Amy Grothe-Twiss. Zij was getrouwd met Alexander Grothe, een van de oprichters en lid van de beheerraad van de Toevlucht, en een nicht van Jacoba Johanna van Hoey Smith, de vrouw van Henry Tindal.
Amy Grothe-Twiss schreef de kinderrubriek in De Telegraaf en geldt als grondlegger van het Nederlandse openluchttheater.
Het gedicht wordt pas in 1924, kort na het overlijden van Heijermans, gepubliceerd in Het Volk, dagblad voor de arbeiderspartij.

‘Hij bezat dien avond nog 35 ct waarvoor i in ’t toevlucht voor onbehuisden of zooiets kon slapen, een half vegetariërsbroodje had i in z’n zak. De zeven stuivers gaf i en sliep die nacht bij Abel op den grond,’ schrijft Nescio rond 1902 in het verhaal ‘Heimwee.’

Ook de hoofdpersoon van de roman Diamantstad (1904) van Herman Heijermans maakt de overweging. ‘Hij zou naar ’t Toevluchtsoord voor onbehuisden, bij ’t Casino gaan – hij had nog tien cente.’
Gebouw Casino, gesloopt in 1965, aan het Waterlooplein had de achtergevel aan de Zwanenburgerstraat.

De Zwanenburgerstraat is een verdwenen straat, die liep van het Waterlooplein naar de Zwanenburgwal. Op deze plek staat nu de Stopera.
Daar is nog duidelijk te zien waar de Toevlucht eens heeft gestaan. De panden lagen namelijk naast het voormalig Nederlands Israëlitisch jongensweeshuis Megadlé Jethomim, dat op de Zwanenburgerstraat 20 was gevestigd. Tussen de Amstel en het Muziektheater is de omtrek van dit voormalige joodse weeshuis bij wijze van monument in de stoep gemarkeerd. De Toevlucht stond, voor wie met de rug naar de Amstel staat, links of ten westen hiervan.

Op de foto hieronder van circa 1900 uit het Amsterdamse Stadsarchief zijn op het gebouw achter de linkerboog van de Blauwbrug duidelijk de grote witte letters Volkslogement te lezen.

Onze waardige directeur de heer T. Jonker

In 1900 verschijnt de dan 34-jarige Tjitte Jonker, de latere oprichter van Hulp voor Onbehuisden, ten tonele bij de Toevlucht aan de Zwanenburgerstraat.
Jonker is, evenals de twee voorgaande directeuren van de Toevlucht voor Onbehuisden, een voormalig officier van het Leger de Heils.

In De Telegraaf en Het Nieuws van de Dag verschijnen van 1900 t/m 1903 vrijwel wekelijks overzichten van het aantal verstrekte overnachtingen, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen en tussen onbehuisden en betalende gasten. Bovendien vermeldt men de ontvangen giften in geld of in natura. Steevast treffen we daarin de zinsnede ‘en door tussenkomst van den Heer T. Jonker’ gevolgd door het bedrag, variërend van acht tot tachtig gulden, dat hij die week voor de Toevlucht voor Onbehuisden heeft ingezameld.

Het echtpaar Jonker in tijdschrift De week (1907).

Het echtpaar Jonker in tijdschrift De week (1907).

Vanaf september 1901 is Jonker niet langer alleen fondsenwerver van de Toevlucht, maar ook directeur, terwijl zijn echtgenote fungeert als directrice. ‘Op initiatief van de tegenwoordige directeur der inrichting, de heer T. Jonker, werd in het afgelopen boekjaar een begin gemaakt met een 10-cents collectie, waardoor een grote schare van personen in de gelegenheid werd gesteld iets bij te dragen tot de instandhouding van de inrichting. Tevens wordt getracht door persoonlijke bezoeken van den Directeur bij onze gegoede stadgenoten belangstelling te wekken voor het werk dezer liefdadigheid en ziet hij zijn aanvankelijk pogen met een vrij gunstige uitslag bekroond, in zoverre verschillende personen zich verbonden tot betalen van een jaarlijkse bijdrage of van een gift ineens.’ (De Telegraaf, 2 november 1901) Jonker toont zich een onvermoeibaar ambassadeur van het werk, hij is ‘steeds bereid is belangstellenden alle gewenste inlichtingen te verschaffen, hun inzage te geven van het beheer en hen in de inrichting rond te leiden.’ (De Tijd, 5 november 1901)

Zuinig en zaakkundig

Met kerst 1901 organiseert de Toevlucht voor Onbehuisden gratis maaltijden voor 1000 mensen. ‘Slechts één meisje was erg bedroefd,’ schrijft De Telegraaf daarover, ‘de directeur der inrichting, de heer T. Jonker, had medegedeeld dat bij het verlaten van het lokaal, de lepels moesten worden ingeleverd en dat daarvoor een sinaasappel in de plaats zou worden gegeven. Ieder zorgde natuurlijk voor zijn bon, in den vorm van dien lepel, een appel te bemachtigen; alleen dat bedroefde meisje was haar lepel kwijt geraakt en vreesde de voor haar zoo heerlijke versnapering te moeten missen.’ Mevrouw Tindal is gelukkig snel bij om dit snel recht te zetten. (De Telegraaf, 26 december 1901)
Bewoners van de Toevlucht schrijven een ingezonden brief om vooral ‘onzen waardige directeur de heer T. Jonker’ daarvoor te danken. De laatste nodigt een ieder uit om de financiële verantwoording van deze en andere activiteiten van de Toevlucht ten kantore aan de Zwanenburgerstraat 18 te komen controleren.

Het jaar daarop wordt dit herhaald, maar nu voor 2000 arme huisgezinnen. ‘Reeds velen hebben ter bereiking van dit doel de Vereeniging met een bijdrage gesteund, doch zij vertrouwt, dat nog meerdere bijdragen bij den directeur der inrichting, den heer T. Jonker, Zwanenburgerstraat 18, zullen inkomen.’ (Algemeen Handelsblad, 19 december 1902) Opnieuw bedanken ‘huisgenoten en verpleegden’ de toevlucht en vooral Jonker hiervoor in de pers. (Het nieuws van den dag, 29 december 1902)
Tijdens de jaarvergadering van 1902 wordt Jonker geprezen om zijn ‘correcte leiding van de inrichting. Het bestuur meende in hem den man gevonden te hebben die, door een zuinig en tevens zaakkundig beheer, de rechte man op de rechte plaats genoemd mag worden.’ (De Tijd, 5 november 1902)

Faillissement

In januari 1902 duiken Jonker en de Toevlucht voor Onbehuisden op in de rechtbankverslagen. Mevrouw Tindal laat bij een van haar panden in de stad een schutting weghalen door bewoners, want ‘timmerlieden had men in de Toevlucht bij de hand’, wat leidt tot een geschil met de buren. Jonker had zich juist gedegen voorbereid op het werk. ‘De heer Jonker won adviezen in bij mr. Boas en mr. Schölvinck [in 1904 in het eerste bestuur van Hulp voor Onbehuisden], en deze beide advocaten zeiden hem, dat hij gerust zijn gang kon gaan, mits hij zich van een schriftelijke opdracht voorzag van mevr. Tindal.’ (De Tijd, 18 januari 1902)
Jonker reist hiervoor van de Zwanenburgerstraat naar Swaenenburg, het landgoed van de familie Tindal bij ‘s-Graveland. Dit mag niet baten, substituut-officier van justitie Regout betoogt dat Jonker ‘niet als willoos werktuig (manus ministra) had gehandeld, maar met bewustheid opzettelijk een daad had gepleegd.’ Jonker wordt veroordeeld tot 25 gulden boete of tien dagen hechtenis. Deze uitspraak volgt overigens veel later dan gepland, want er komt iets tussendoor.

Het familiegraf van Heineken en Tindal op Zorgvlied (2014).

Het familiegraf van Heineken en Tindal op Zorgvlied (2014).

Op 31 januari 1902 overlijdt Henry Tindal in Sint Petersburg. ‘Wij noemen hem slechts als oprichter van de toevlucht voor onbehuisden, een zeer groot gebouw in de Zwanenburgerstraat te Amsterdam en als stichter van het dagblad De Telegraaf.’ (De Gooi- en Eemlander, 5 februari 1902) Bij zijn begrafenis op Zorgvlied, waar hij nog altijd een graf (oud, 1e klas) deelt met Gerard Heineken, stuurt de Toevlucht ‘een mooie krans’. (De Telegraaf, 13 februari 1902)
Al eerder is het faillissement van Tindal uitgesproken. Tot het bezit behoort ook onroerend goed, waaronder ‘het gebouw aan de Zwanenburgerstraat in gebruik als Toevlucht voor onbehuisden.’ (Algemeen Handelsblad, 19 mei 1901)

Vooralsnog gaat het werk door. ‘Daar op het ogenblik vele kinderen in de inrichting vertoeven, en de directeur voor hen dringend behoefte aan onder- en bovenkleding heeft, houdt hij zich voor de toezending daarvan ten zeerste aanbevolen.’ (De Telegraaf, 17 maart 1902)
Een maand later komt een geval van verwaarlozing voor de rechter. ‘Gelukkig voor de kinderen, waren zij in den laatsten tijd onderdak gebracht in de Toevlucht voor Onbehuisden en worden zij nu, goed gekleed en gevoed, geregeld naar school gebracht.’ (Algemeen Handelsblad, 12 april 1902)
‘Op de Keizersgracht bij de Leliegracht te Amsterdam, zat Woensdagavond een bejaarde vrouw in schamele kleeding, die huilde van den honger. Zij verklaarde in 4 dagen geen eten gehad te hebben. Voor rekening van den bewoner is zij door een kruier naar de Toevlucht voor Onbehuisden gebracht.’ (Nieuwsblad van het Noorden, 13 juli 1902)

Bouwtekening van het tabakspakhuis op de plaats van de Toevlucht.

Bouwtekening van het tabakspakhuis op de plaats van de Toevlucht.

In januari 1903 worden de percelen aan de Zwanenburgerstraat 18 en 16a verkocht aan de firma Manus, die ze sloopt om er een pakhuis voor tabak te bouwen. De bouw begint in mei, de architect is J. van Looy, in januari 1904 is het klaar.
Volgens het Algemeen Handelsblad hoeven we om de sloop niet bijzonder te treuren. ‘Het gebouw in de Zwanenburgerstraat heeft een mindere betekenis voor Amsterdam, het was gebouwd voor diamantslijperij en daarvoor geheel ingericht, doch schenen latere omstandigheden het minder geschikt te maken en werd het gebouw toen verkocht en verkreeg de philanthropische instelling, om tijdelijk onbehuisden een onderkomen te bezorgen. (Algemeen Handelsblad, 4 januari 1903)

looiersgracht-bloemgracht

De panden aan de Looiersgracht en de Bloemgracht.

Naar de Jordaan

Inmiddels heeft Jonker aan de Bloemgracht 90 een gebouw gevonden dat, ‘uitstekend geschikt is om als Tehuis voor mannen te worden ingericht. Het is de Vereeniging gelukt een afzonderlijk gebouw te verkrijgen, geschikt om geheel voor opneming van vrouwen en kinderen te worden ingericht en tevens aan een groter aantal plaats te verlenen, en wel een huis met pakhuis aan de Looiersgracht No. 52.’ (Algemeen Handelsblad, 9 februari 1903)
Voor het volkslogement, het deel voor betalende gasten, word een pand gevonden in de Warmoesstraat op nummer 158, genaamd Het Blauwe Kruis. Dit volkshotel wordt later van 1908 tot 1929 onder de naam De Hoop geëxploiteerd door Hulp voor Onbehuisden. Het pand is in 1935 gesloopt, op deze plaats staat nu de parkeergarage van de Bijenkorf.

Onder de kop ‘Vereeniging Toevlucht voor Onbehuisden’ schrijven T. Jonker en J.C. Jonker-Clauzer als directeur en dat de Toevlucht voor Onbehuisden zich verplicht ziet haar zetel te verplaatsen en tevens de werkzaamheid verder uit te breiden. ‘Het zal u waarschijnlijk niet onbekend zijn, dat bovengenoemde vereniging, door verkoop der percelen in de Zwanenburgerstraat, waar thans de welbekende inrichting is gevestigd, genoodzaakt werd naar andere gebouwen uit te zien, daar de vereniging onmogelijk hun, die thans in de inrichting verpleegd worden, verdere hulp kon ontzeggen.’ (De Tijd, 11 februari 1903) Ook van de toevluchten in de Jordaan verschijnen wekelijks overzichten van de bezetting en de ontvangen giften in De Telegraaf en Het Nieuws van de Dag.
Een enkele bijzondere begunstiger wordt met naam en toenaam genoemd. ‘Aan de vereniging Toevlucht voor Onbehuisden heeft H. M. de Koningin een gift geschonken van ƒ 200, ten behoeve van het Tehuis voor mannen aan de Bloemgracht en van het Tehuis voor vrouwen en kinderen aan de Looiersgracht.’ (Algemeen Handelsblad, 14 april 1903)

Het pand aan de Haarlemmer Houttuinen.

Het pand aan de Haarlemmer Houttuinen 15.

Knokploeg

In mei 1903 ontstaat er een verschil van mening tussen de Jonkers en de raad van beheer van de Toevlucht. Het geschil gaat over geld en vooral over wie het nu voor het zeggen heeft bij de Toevlucht. Het conflict loopt dermate hoog op dat de raad van beheer een accountant stuurt om de boeken in te zien, terwijl Jonker de beheerraad niet langer als wettig gekozen bestuur aanvaardt.
Op 10 augustus wordt het echtpaar Jonker per exploot ontslagen en gesommeerd uit de inrichtingen te vertrekken. Als zij hier geen gehoor aangeven, worden zij op 5 september door een knokploeg uit hun tehuizen gezet. De toevluchten aan de Bloemgracht en Looiersgracht ‘werden bestormd door verschillende personen, onder leiding van den prijsvechter Placké [Henry Placké was de eerste beroepsbokser van ons land en geldt als de grondlegger van de Nederlandse bokssport], die zich door ruw geweld toegang tot de inrichtingen verschaften,’ schrijft Jonker verontwaardigd in een furieuze ingezonden brief in De Telegraaf.
De zusters werden door de knokploeg, door Jonker ‘inbrekers’ genoemd, ‘ruw en laag behandeld’ en de boekhouder en de portier werden op straat gegooid. ‘Mijn gehele personeel schaarde zich direct aan mijne zijde en zijn met mij des namiddags ten 5 ure onder protest uit de inrichting vertrokken, deze overlatende aan het ruwe geweld omdat wij niet tegen dergelijk optreden wilden handelen.’ (De Telegraaf, 12 september 1903)

Omdat de oude Toevlucht waar Jonker uit werd verdreven, nog steeds collecteert, vraagt een abonnee van De Telegraaf in een ingezonden brief om opheldering. ‘Ieder kent de behandeling, die de directeur, de heer T. Jonker, indertijd moest ondervinden. Eveneens kent elk ’t heftig artikel daarop door genoemden heer verspreid.’ Hij kan door deze gang van zaken weinig sympathie voor het nieuwe regime opbrengen en roept iedereen op om deze instelling geen geld meer te geven. (De Telegraaf, 18 november 1903)

De Bloemgracht 24 in 1964 bij de onthulling van een plaquette ter gelegenheid van het zestigjarige bestaan van Hulp voor Onbehuisden.

De Bloemgracht 24 in 1964 bij de onthulling van een plaquette ter gelegenheid van het zestigjarige bestaan van Hulp voor Onbehuisden.

Aangezien ik mij gedwongen gevoel

Lang zit het echtpaar Jonker overigens niet stil, want al in het najaar van 1903 huren ze twee nieuw panden. Op 12 september 1903 wordt het werk voortgezet met de opening van een onderkomen voor vrouwen en kinderen aan de Bloemgracht 24.
Op dit pand, dat er nog altijd staat, wordt ter gelenheid van het zestigjarige bestaan van HVO in 1964 een kleine gedenkplaat onthuld, zoals hiernaast is te zien.
‘Het huis was mij verhuurd door de heeren bestuurders van het R.C. armenkantoor,’ vertelt Jonker tien jaar later. Het huis biedt plaats aan vijftien vrouwen, dertig kinderen en zes zuigelingen.
Op 12 november 1903 jaar volgt de opening van een tehuis voor zestig mannelijke zwervers alsmede een volkslogement en een gaarkeuken aan de Haarlemmer Houttuinen 15, ‘een gewezen fabriek en erg verwaarloosd,’ met daarnaast, op nummer 13, een werkplaats.

De Jonkers willen bovendien meer, zij willen een vereniging met een degelijk en wettig bestuur. ‘Aangezien ik mij gedwongen gevoel mijnen arbeid onder de onbehuisde mannen, vrouwen en kinderen voort te zetten, is het noodzakelijk te trachten eene nieuwe vereniging in het leven te roepen.’
Hiertoe doen de Jonkers met succes een beroep op enkele kopstukken uit de gegoede Amsterdamse burgerij. Er wordt opnieuw een comité gevormd waarin J.H. van Eeghen, C.W. Janssen, J.G. Schölvinck, N.M. Josephus Jitta en J.F.L. Blankenberg zich achter de Jonkers scharen. ‘Dat deze instelling steun verdient,’ blijkt uit de steun van ‘welbekende stadgenoten, die met het armwezen goed bekend zijn.’ (Algemeen Handelsblad, 1 maart 1904)  Deze heren maken korte tijd later deel uit van het eerste bestuur van HVO.

Op 1 maart 1904 treden Jonker en de zijnen met dit particuliere initiatief in de publiciteit. Er wordt een circulaire verspreid waarin de plannen voor deze nieuwe vereniging worden toegelicht en diverse kranten besteden aandacht aan de plannen. (De Tijd, 1 maart 1904) (De Telegraaf, 5 maart 1904) Er blijkt brede steun voor deze ‘loffelijke poging om tijdelijke huisvesting en steun te geven aan een grote menigte daklozen, mannen, vrouwen en kinderen, die niet weten waarheen te gaan, en die anders op de publieke straat of in politie-bureaux den nacht zouden moeten doorbrengen.’

Uiteindelijk leidt dit op 21 juli 1904 tot de oprichting, op het stadhuis en in tegenwoordigheid van de burgemeester van Amsterdam, van de vereniging Hulp voor Onbehuisden.

Bent u benieuwd hoe het verder ging? Lees dan onze geschiedenis.

Reacties ( 0 )

    Geef een reactie

    Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *