Geschiedenis

Geschiedenis 1920-1930

1920192119221923192419251926192719281929

 

1920

De economische situatie van Amsterdam verbetert direct na de Eerste Wereldoorlog maar verslechtert echter zodanig in 1920 dat er sprake is van een crisis. Historici spreken later van zeer zware jaren voor brede lagen van de Amsterdamse bevolking. Deze crisis gaat ook aan Hulp voor Onbehuisden niet voorbij. Daarom doet het bestuur opnieuw een beroep op de gemeente.

De werkzaamheden door de vereeniging Hulp voor Onbehuisden verricht, achten wij van zeer groot maatschappelijk belang. Zoowel aan de gemeentelijke politie als aan de gemeentelijke armenzorg wordt door den arbeid dezer vereeniging veel werk uit handen genomen, weshalve zij o.i. in beginsel, ook nu de oorlogstoestand heeft opgehouden te bestaan, voor blijvenden steun van gemeentewege in aanmerking behoort te worden gebracht. Ter nadere vaststelling van het bedrag, tot hetwelk het verleenen van subsidie gewettigd moet worden geacht, hebben wij een onderzoek naar den geldelijken toestand der vereeniging ingesteld.

Personeelsadvertentie van HvO, 1920

Personeelsadvertentie van HvO, 1920

Uit dit onderzoek van de gemeente blijkt dat Hulp voor Onbehuisden in 1920 ƒ120.000 tekort zal komen. Hierbij is al rekening gehouden met te verwachten inkomsten van ƒ100.000 uit particuliere giften. Daarom wordt de raad in een voordracht van B&W aangespoord in te stemmen met een subsidie van 120.000 gulden voor HvO, aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Een voorwaarde daarbij is wel dat de ‘invloed der gemeente op het beleid van het bestuur der vereeniging’ wordt gewaarborgd. Op 17 juni 1920 stemt de raad hiermee in, aldus De Telegraaf.

Na het bad, uit brochure van HvO, 1920

Na het bad, uit brochure van HvO, 1920

‘Twee uitvoeringen, onderscheidenlijk op 16 en 17 Januari jl. in het gebouw Heijstee ten bate van de kinderafdeling der vereeniging Hulp voor Onbehuisden gegeven, leverden een netto opbrengst op van ƒ960, welk bedrag aan deze vereeniging is overhandigd,’ schrijft het Algemeen Handelsblad.
De muziek- en reciteerclub Labor Vincit Omnia geeft op 21 januari een muziek- en reciteeravond in het gebouw Odeon aan het Singel ‘ten bate der Vereeniging Hulp voor Onbehuisden,’ meldt De Telegraaf.
Op 27 januari geeft de Hollandsche Dames Zwemclub (H.D.Z.) een feest in het Zuiderbad, waarvan de opbrengst ten goede komt aan Hulp voor Onbehuisden, aldus het Algemeen Handelsblad.

De gemeentelijke volkswasinrichting aan de Jacob Catskade wast voor particulieren met een huur onder de 5 gulden, voor gemeentelijke diensten en voor Hulp voor Onbehuisden, weet De Telegraaf.

Jonker vraagt in het HvO-blad Stemmen uit de diepte opnieuw aandacht voor de verwaarloosde gezinnen in de stad, in zijn ogen een onderbelichte categorie binnen de armenzorg. Jonker noemt deze doelgroep ‘Neerlands donkere vlekken.’

Gezinstehuis ontwerp, 1920

Ontwerp uit 1920 van architect Jan de Meijer voor een gezinstehuis voor HvO. Het is nooit gebouwd.

‘Telkens, wanneer ik in aanraking kom met de gezinnen waar de kinderen door de ouders worden verwaarloosd, is de vraag naar voren gekomen: Is eigenlijk het geheele gezin niet lijdende aan verwaarlozing?
De tweede vraag komt dan onwillekeurig over de lippen: wat heeft tot deze algemeene verwaarlozing geleid, met andere woorden “wat is daarvan de oorzaak?” In ons maandblad Stemmen uit de diepte van maart 1919 heb ik getracht enkele zeer tastbare oorzaken te noemen. Om nu den lezers van dit nummer een juist beeld te geven van hetgeen ik onder verwaarloosde gezinnen versta, wil ik gaarne enkele schetsen geven, waaruit het hun duidelijk zal worden.
Er zijn verschillende oorzaken die tot verwaarlozing van het gezin leiden, maar de voornaamsten zijn wel: dronkenschap, luiheid, vervuiling, bandeloosheid, onverschilligheid en het ontbreken van alle verantwoordelijkheidsgevoel.’

Tijdschrift HvO, 1910

Tijdschrift van Hulp voor Onbehuisden, 1920.

De Amsterdamse Armenraad roept een commissie van deskundigen in het leven voor de hulp aan onvolledige gezinnen. Jonker is een van de leden van deze commissie, meldt De Tijd op 27 maart. De vraag, hoe te voorzien in de verzorging van het arbeidersgezin, waar de moeder is overleden en de vader met jonge kinderen achterblijft, wacht te Amsterdam, evenals in vele andere gemeenten, op een oplossing, aldus het Algemeen Handelsblad op 28 maart.

Op 31 maart is de jaarvergadering van HvO. Er zijn in 1919 ruim 100.000 maaltijden verstrekt. Er is een tekort van 90.000 gulden.
Jonker meldt bij deze gelegenheid dat het paviljoen voor meisjes onder voogdij in Houten ‘thans onder de kap is,’ aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant.
Ook De Telegraaf bericht over de jaarvergadering, ‘vooral het overlijden van mevrouw P. W. Janssen en van den heer Egbert de Lange, beduidt een groot verlies.’ De heren E. Gerdes en mr. P. Peelen worden verkozen tot bestuurslid van HvO.

Foto uit HvO-blad, 1920, bij artikel over bedelende kinderen

Foto uit HvO-blad, 1920, bij artikel over bedelende kinderen

Ook De Tijd bericht over de jaarvergadering en ontleent gegevens aan het jaarverslag over 1919.
‘In het jongenshuis aan de Prins Hendrikkade [verbleven] gemiddeld 46 jongens. Het perceel naast het jongenshuis werd bij de inrichting gevoegd, waardoor belangrijke hygiënische verbeteringen werden verkregen. Van de jongens behaalden 10 het einddiploma Handelsschool, 1 de acte stuurman, 1 de acte Duitsch en Handelscorrespondentie, terwijl 2 jongens geslaagd zijn voor machinist.’

Onder de kop ‘Bedelende kinderen’ somt het Algemeen Handelsblad op 22 april op welke instanties zich met kinderen bemoeien. Daaronder is de ‘zeer gunstig werkende inrichting van den heer Jonker, de Toevlucht voor onbehuisden.’ Jonker haalt dit artikel met instemming aan in het HvO-blad. Hij toont zich verontwaardigd over ouders die hun kinderen inzetten bij het bedelen om de liefdadigheid van het publiek op te wekken. Want ‘een volk, dat de kinderen niet beschermt en hun geen kans geeft om in een reine omgeving te leven en op te groeien, staat zijn eigen welvaart in de weg,’ aldus Jonker.

Kinderen van Jonker van Henk Henriët, 1920, collectie Stadsarchief

Kinderen van Jonker, houtsnede van Henk Henriët, 1920, collectie Stadsarchief.

Hulp voor Onbehuisden juicht het dan ook toe dat in 1920 op de Kloverniersburgwal 72 een nieuwe tweeledige tak van de politie wordt gevestigd, de Zeden- en Kinderpolitie. Hoofdinspecteur C.E.G. Hogendijk, schrijft in het blad van HvO dat deze dienst onder meer samenwerkt met het Rijksbureau tot bestrijding van den vrouwenhandel. De inspecteur verwacht dat de Amsterdamse Zeden- en Kinderpolitie veel werk zal krijgen.

Schutting HvO 1920

Kinderen van Hulp voor Onbehuisden bij de schutting in 1920.

Jonker maakt zich kwaad over de ellendige woonomstandigheden waarin een aanzienlijk deel van de stedelijke onderklasse moet wonen (‘krotwoningen, die zijn er in de groote steden helaas nog velen’) en probeert zijn lezers enthousiast te maken voor de stichting van enkele gezinstehuizen.
De plannen en bouwtekeningen liggen al klaar. Hulp voor Onbehuisden behoeft alleen nog financiering van dit project. Men roept rijk, gemeente en particulieren op hiervoor de handen ineen te slaan.

Schutting, HvO, 1920

Schutting bij het Oude Buitengasthuis van Hulp voor Onbehuisden, 1920.

Het Vaderland haalt op 17 juli met instemming deze plannen van HvO aan: ‘De heer T. Jonker, de directeur van de Toevlucht voor Onbehuisden te Amsterdam, wijdt zich reeds sedert vele jaren aan het welzijn van heb die – door eigen schuld dikwijls, maar ook door een samenloop van tegenspoed en tegenvallers – tot de allerongelukkigsten van onze samenleving zijn geworden. Hij heeft dus heel wat ervaringen uit de kringen van deze gezonkenen – zooals de geijkte term luidt – kunnen opdoen en elke levensdag plaatst hem voor nieuwe ellende en nieuw leed. (…) De heer Jonker heeft dezer dagen een geschrift uitgegeven, dat o.i. in hooge mate de aandacht zal trekken, niet alleen om de inhoud, maar vooral ook, omdat hij, de man van ervaring, de schrijver is.’ De HvO-directeur kent immers ‘als slechts weinigen de ellende van deze misstand,’ aldus Het Vaderland.
Het geschrift waar hier op wordt gedoeld is Neerlands donkere vlekken. Kijk hier om deze publicatie uit 1920 te lezen.

Kleine kinderen bij Hulp voor Onbehuisden, 1920.

Kleine kinderen bij Hulp voor Onbehuisden, 1920.

‘Regelmatig als de golven aan ons strand spoelen dagelijks de verzoeken op ons bureau aan om plaatsing van stukken, waarin hulp wordt gevraagd,’ aldus De Tijd op 25 september. ‘Ze zijn, ook al evenals de golven, meest eentonig en gelijkvormig. Maar daar zijn er toch, die telkens met wat nieuws de aandacht der weldoeners weten te trekken. En daarin is de heer T. Jonker, hoofddirecteur van het Werk onder de Onbehuisden een meester. Onbehuisden! Hoevelen duizenden zijn er thans niet, die geen eigen tehuis hebben, maar overal bij familie en bekenden of in dure pensions een verblijf moeten zoeken? Maar over die onbehuisden heeft de heer Jonker het niet. Zijn onbehuisden zijn anderen, zijn zij, die heelemaal geen dak boven het hoofd hebben, de schipbreukelingen, de zwervers.
Nu kwam de heer Jonker weer met een geschriftje, waarin hij het voor hen opneemt. Wie het leest zegt van zelf: “Ja, ik zal Hulp voor Onbehuisden steunen met een wintergift van …” en wie het niet gelezen heeft, zetten wij voor het geval, om het biljet niet in te vullen, als hij durft. De heer Jonker houdt van zijn onbehuisden, dat kan men aan alles merken; de liefde is vindingrijk,’ besluit De Tijd.
Kijk hier om ‘Ja, ik zal Hulp voor Onbehuisden steunen met een wintergift van …’ te lezen.

Badkamer, mannenasyl, HvO, 1920

Badkamer, mannenasyl, HvO, 1920

De Amsterdamse stadskrant Het Centrum maakt op 1 oktober melding van een geval van ernstige verwaarlozing van kinderen. De politie grijpt in en ‘het kind van anderhalf jaar is naar de Toevlucht voor Onbehuisden gebracht, waar zij voorloopig onderdak zal krijgen.’

Het gemeenteraadslid Zadok van den Bergh vraagt welke maatregelen B. en W. denken te nemen zodat ’s winters geen daklozen mooeten worden afgewezen omdat HvO vol zit, aldus het Algemeen Handelsblad.
Van den Bergh wijst er op dat Hulp voor Onbehuisden overvol zit en vreest dat vele mannen, vrouwen en kinderen zullen worden afgewezen en de nacht noodgedwongen buiten zullen moeten doorbrengen. De toestand is verre van ideaal aldus het raadslid. ‘Gezinnen, die ’s nacht opgenomen worden, moeten den volgenden morgen wederom de straat op. Dit is een toestand die in Amsterdam niet mogelijk mag zijn,’ meldt de Nieuwe Rotterdamsche Courant.

Jeanette OOrd, 1920

In 1920 viert Jeanette Oord in Houten het tweede lustrum. In het midden het echtpaar Jonker.

Ook buiten Amsterdam zijn er in 1920 tal van activiteiten. Jeanette Oord, het tehuis voor meisjes in Houten bij Utrecht, viert dit jaar zijn tweede lustrum. ‘In de 10 jaren die sedert verloopen zijn, zijn ongeveer 100 meisjes opgenomen geweest, waarvan een groot gedeelte op betere paden is gebracht. Velen hebben een goede positie in de maatschappij, enkelen zijn reeds gehuwd en vierden kortgeleden met hun kinderen bij ons het 10-jarig bestaan,’ aldus Jonker in de Nieuwe Rotterdamsche Courant.

Folmina, HvO, 1920

Folmina van HvO in Houten in aanbouw, 1920

Bovendien wordt op hetzelfde terrein, het voormalige buiten Oud Wulven aan Oud Wulfseweg, het zogeheten Folmina-paviljoen opgeleverd en officieel geopend op 22 oktober 1920 door de heer Mendes da Costa, secretaris van de Portugese Gemeente in Amsterdam en bestuurslid van Hulp voor Onbehuisden. Het nieuwe tehuis is ‘alleen voor kinderen, wier lot zich geen enkele andere vereeniging aantrekt,’ aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant in een verslag van de opening. Dezelfde NRC meldt dat het tehuis iets groter is dan het lijkt, want ‘dicht bij het paviljoen is een klein gebouwtje neergezet, dat dienst doet als ziekenhuisje en plaats biedt aan 6 zieke kinderen en een verpleegster.’
Voor de financiering van Folmina is er nog ƒ 15.000 te kort, vertelt Jonker in Het Vaderland, ‘doch ook deze zullen er snel komen’ hoopt hij. Hulp voor Onbehuisden heeft zijn zinnen alweer op een volgend project gezet: ‘Nu moeten we nog een tehuis hebben voor de arme bedeljongetjes.’ Bij een rondgang door het pand constateert Het Vaderland dat het paviljoen ‘den ontwerper, den architect Jan de Meijer, alle eer aandoet.’
Ook het Utrechts Dagblad, het Algemeen Handelsblad, het Nieuws van de Dag als De Standaard doen verslag van de opening van Folmina.

Folmina, 22 oktober 1920

Folmina, 22 oktober 1920

Het is, na het Observatiehuis (1914) in Amsterdam en de landbouwkolonie en het ontspanningslokaal (1918) in respectievelijk Appelscha en Hoogersmilde, opnieuw een ontwerp van de architect Jan de Meijer.

Het Folmina-paviljoen, genoemd naar de zojuist overleden moeder van mede HvO-oprichter en bestuurslid C.W. Janssen, is gefinancierd uit een legaat en biedt plaats aan veertig meisjes ‘die den leerplichtigen leeftijd nog niet hebben overschreden’ en over wie Hulp voor Onbehuisden de voogdij voert.

‘Voor de bezichtiging verzocht de heer Jonker mevrouw De Goeyen uit Velp, een familielid van de overleden schenkster, den gedenksteen te willen onthullen,’ aldus De Tijd op 25 oktober.
Volgens deze krant is het nieuwe gebouw, een werk van de aannemers A. van Dijk en J. C. Schinkel, ‘zeer comfortabel ingericht, bevat slaap- en badkamers, eet- en recreatiezaal, serre, enz., alles naar de eischen van den modernen tijd.’

Folmina, 2014

Het voormalige Folmina van HvO anno 2014.

Hoofddirecteur Jonker legt in zijn openingstoespraak uit wat Hulp voor Onbehuisden te zoeken heeft buiten Amsterdam:

Het is ongeveer 12 jaar geleden dat mijn vrouw en ik tot de conclusie kwamen, dat wij in het Buitengasthuis te Amsterdam geen plaats meer hadden voor meisjes boven den schoolleeftijd. Wij stonden toen voor de lastige vraag òf de meisjes te weigeren, òf ze onder te brengen in de afdeling ‘Vrouwen’ van het Buitengasthuis.

Opening Folmina, HvO, 1920

De opening van Folmina in Houten, 22 oktober 1920. Links Jonker, in het midden mevrouw F. M. de Goeyen-Janssen.

Nu deed zich dit bezwaar voor, dat de vrouwen, die daarin verpleegd worden, bijna allen een verleden hadden; enkelen hadden kennis gemaakt met de Justitie, en anderen hadden een dusdanig leven geleid, dat het niet wenschelijk zou zijn, dat de meisjes daar kennis van kregen.
Zij zouden dan, voordat zij water zagen, al verdronken zijn.

Gedenksteen Folmina, 2014

Gedenksteen Folmina anno 2014.

Hulp voor Onbehuisden neemt in 1950 afscheid van Houten, maar het pand waarin het voormalige Folmina-tehuis was gevestigd, staat er heden ten dage nog altijd. Het huis, dat later bekendstaat onder de naam Gasterij Oud Wulven, dient tot 1977 als verpleegtehuis. In 1984 is het een logement voor in Nederland gelegerde Amerikaanse militairen. In 1986 wordt het een pension voor ouderen, aldus het Reformatorisch Dagblad van 12 februari 1986.

Het in de stijl van de Amsterdamse school gebouwde Folmina is nu een ‘gewoon’ woonhuis. Het pand is inmiddels een gemeentelijk monument. Dat geldt niet alleen voor het huis zelf, maar ook voor een bijbehorend klein gebouw in de tuin (het ziekenzaaltje) en zelfs voor de ontijzeringsinstallatie in de tuin om het drinkwater te zuiveren.

Een gedenksteen in de muur met de tekst ‘In dankbare herinnering aan de weldoenster der armen, maart 1919’ herinnert nog altijd aan de oorspronkelijke bestemming van het huis.

Ziekenzaaltje en ontijzeringsinstallatie bij Folmina, anno 2014.

Ziekenzaaltje en ontijzeringsinstallatie bij Folmina, anno 2014.

‘Gisteravond meldde zich aan het bureau Leidscheplein een man aan met het verzoek, hem een nachtverblijfkaart te verstrekken voor Hulp voor Onbehuisden. Het bleek te zijn de 50-jarige G., zonder beroep en vaste woonplaats, wier opsporing door de Alkmaarsche politie was verzocht, wegens poging tot doodslag op den chef-veldwachter aldaar. De man is in arrest gesteld en heden naar Alkmaar getransporteerd,’ aldus Het volk,  dagblad voor de arbeiderspartij, op 27 oktober.

Hulp voor Onbehuisden vraagt voor 1921 ƒ150.000 subsidie aan bij de gemeente Amsterdam. De gemeente zegt voor het komende jaar ƒ 120.000 subsidie toe, aldus het Algemeen Handelsblad.

Had-je-me-maar, tekening, 1921.

Had-je-me-maar, tekening, 1921.

Op 2 november schrijft het Algemeen Handelsblad een artikel over zorgmijders, nachtelijke zwervers die geen gebruik maken van de opvang. De bekendste representant hiervan is Had-je-me-maar. ‘Waarom hij dan niet af en toe ’s avonds naar Jonker ging? Neen, dan komn hij niet, dat liet zijn “métier” niet toe, bij Jonker moest hij te vroeg binnen zijn. Vrijheid, blijheid.’
Een dag later plaats de krant een vervolg op dit artikel. ‘Wij zeiden, dat zij ook op de politiebureaux een onderdak kunnen vinden. Dit wil echter niet zeggen dat de zwervers ook op die bureaux blijven slapen, althans in het algemeen niet. De menschen krijgen een kaart voor de Toevlucht voor Onbehuisden, meer populair bekend als ‘Jonker’, waar dan voor hen wordt gezorgd. De zwervers, die zich aan de inrichting melden krijgen een bad, avondeten, een nachtverblijf en ‘s morgens een ontbijt; bovendien worden de kleeren uitgestoomd. Er wordt dus goed voor deze allerarmsten gezorgd, maar juist die goede zorgen, wij schreven het reeds, weerhouden velen ervan om een nachtverblijf te vragen. Eten willen ze wel, maar een bad…
Alleen wanneer er in de Toevlucht geen plaats meer is, slapen de zwervers, die zich hebben gemeld, op de bureaux. Dit zijn uitzonderingen. In het eerste halfjaar van 1920 hebben in totaal, aldus deelde de heer Jonker ons mede, niet meer dan twintig zwervers op de politiebureaux overnacht,’ aldus het Algemeen Handelsblad.

Kinderen op de binnenplaats van het Oud Buitengasthuis van HvO, 1920

Kinderen op de binnenplaats van het Oud Buitengasthuis van HvO, 1920

‘De uitbreiding van het aantal plaatsen in de Hulp voor Onbehuisden met 12 voor vrouwen en 25 voor mannen lijkt, in dit licht beschouwd, een ware luxe,’ schrijft De Telegraaf op 24 december naar aanleiding van een onderzoekje naar het aantal nachtelijke zwervers dat plaatsvindt op last van de burgemeester. Bij Hulp voor Onbehuisden is het aantal plaatsen voor mannen uitgebreid van 58 tot 70 en voor vrouwen van 25 tot 55. Bovendien is er meer ruimte om kinderen op te vangen door de uitbreiding bij het Burgerweeshuis. Daarom vindt de gemeente het in antwoord op vragen van Zadok van den Bergh niet nodig om HvO extra geld te geven, aldus Het Volk op dezelfde dag.

Naar aanleiding van diverse berichten over het aantal beschikbare plaatsen bij HvO, schrijft Jonker op 27 december in het Algemeen Handelsblad dat het aantal bedden voor mannen van 168 naar 190 is vergroot, het aantal voor vrouwen van 62 naar 86 en dat en 465 bedden voor kinderen zijn en hij maakt gelijk van de gelegenheid gebruik om steun te vragen voor deze meer dan 700 mensen.

Bezettingscijfers van HvO over 1920

Bezettingscijfers van HvO over 1920

Op 30 december houden de Amsterdamse padvinders met toestemming van B&W een collecte ten behoeve van HvO. ‘Het goede streven van deze Amsterdamsche afdeeling verdient een dankbare erkenning, die zich wel het best zal uiten door zoo mild mogelijke bijdragen tot Hulp voor Onbehuisden, zoo dringend vooral onder de huidige omstandigheden’, schrijft De Tijd.

In 1920 verstrekt Hulp voor Onbehuisden in totaal 301.626 verpleegdagen, dat is gemiddeld aan 827 personen per dag.

 

1921

1921-stemmen-cover

Omslag van het HvO-blad, 1921.

De Telegraaf maakt op 21 februari melding van het feit dat het huisorgaan van HvO in een ‘nieuw gewaad verschijnt’ en ‘Stemmen uit de diepte’ heet. Lezing daarvan maakt duidelijk dat er geld, zeer veel geld nodig is, waarvoor Jonker beide handen ophoudt. De krant plaatst deze oproep ‘omdat het werk van den grijsaard een goed werk is.’

Op 4 april is de zeventiende jaarvergadering van HvO. ‘De financiële situatie over 1920 is niet rooskleurig,’ aldus het jaarverslag. Het tekort bedraagt ƒ 36.950,60 aldus De Telegraaf.
Jonker benadrukt tijdens deze vergadering dat HvO ‘de eenige vereeniging in Amsterdam is, die aan de niets bezittenden een gratis maaltijd en onderdak verleent, en bovendien hun, die in de maatschappij moeilijk werk kunnen vinden, bij het zoeken van arbeid steun verleent. Hulp voor Onbehuisden verricht nimmer aanvullend werk, het doel is steeds: doen wat een ander niet doet.’ Toen de gemeente bijvoorbeeld de zorg voor gasthuiskinderen op zich nam, trok men zich uit dat werk terug, maar ‘toen echter bleek, dat de gemeente voor haar taak niet berekend was, nam H.v.O. dezen taak weer op zich,’ aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant.

Eetzaal HvO, 1921

‘De grote eetzaal vor de mannen, waar allen gespijzigd worden,’ luidt het bijschrift bij een artikel over HvO in het tijdschrift De stad Amsterdam in 1921.

De vereniging Misgab Lajeled (Toevlucht voor het kind) is dankbaar voor de bereidwilligheid waarmee Hulp voor Onbehuisden het bestuur uit de plotselinge moeilijkheden heeft gered bij het oprichten van een doorgangshuis, meldt het Nieuw Israelietisch weekblad op 22 april.

Het echtpaar Jonker op het omslag van tijdschrift De Prins, 7 mei 1921

Het echtpaar Jonker op het omslag van tijdschrift De Prins, 7 mei 1921

Hulp voor Onbehuisden viert op 24 juni het tienjarige bestaan van het Jongenshuis van de vereniging aan de Prins Hendrikkade 165-166, meldt De Tijd.

Het Algemeen Handelsblad maakt op 25 juni melding van een voordracht ‘van B. en W. om aan de Ver. Hulp voor Onbehuisden voor 1920 boven het haar reeds toegestane subsidie een subsidie uit te keeren van te hoogste ƒ 30.000.’ Bij de bespreking van deze voordracht kan het communistische raadslid David Wijnkoop ‘zich met deze manier van doen niet verenigen, de gemeente moet dat werk zelf doen,’ meldt het Algemeen Handelsblad.
Het raadslid Piet Nolting van de Radicale Bond ‘komt op tegen den naam Hulp voor Onbehuisden. De menschen vinden daar slechts onderdak gedurende den nacht. Menschen die hunne woningen worden uitgezet kunnen er ’s nachts blijven, doch moeten er op den dag uit. Een ellendige toestand.’ Johannes Douwes van de Anti-Revolutionaire Partij ‘is van oordeel dat het niet aangaat, een ondankbare houding aan te nemen tegen deze inrichting [Hulp voor Onbehuisden]. Als de gemeente die zaak zelve zou ter hand nemen, zou het ambtenaarscorps weer belangrijk moeten worden uitgebreid.’ De voordracht wordt aangenomen.

Vakantiekamp van kinderen van HvO in Appelscha, 1921

Vakantiekamp van kinderen van HvO in Appelscha, 1921

Op 19 juli gaan 89 jongens van HvO voor drie weken met vakantie naar het eigen terrein in Appelscha. De tocht gaat per spoor en na zeven uur reizen stapt het gezelschap in Hoogersmilde uit de tram. De kleine kinderen en de bagage gaan verder op lorries over rails die van het Ontspanningslokaal (ook van de vereniging) aan het kanaal naar het Jongenshuis lopen. Er wordt veel gewandeld en gezwommen en op zondag komt de predikant uit het dorp naar het vakantiekamp om te spreken over ‘wat zult gij doen met uw leven.’

Vakantiekamp Hulp voor Onbehuisden in Appelscha, 1921

Vakantiekamp Hulp voor Onbehuisden in Appelscha, 1921

In 1920 besluit de gemeenteraad van Amsterdam om zogeheten gasthuiskinderen (minderjarigen van wie de ouders of verzorgers in het ziekenhuis worden opgenomen) tijdelijk op te vangen in het Burgerweeshuis. Jonker is niet te spreken over het feit dat de gemeente hierover niet met HvO heeft overlegd. Hulp voor Onbehuisden heeft veel te maken met deze gasthuiskinderen. Dat eindigt niet met hun opvang in het Burgerweeshuis, want de capaciteit daar is beperkt tot zeventig plaatsen en per definitie van korte duur. Men vangt in het Burgerweeshuis bovendien geen kinderen op van chronisch zieken, noch kinderen ‘wier moeder krankzinnig wordt’ of overlijdt. Voor deze kinderen wordt nog steeds een beroep gedaan op HvO.

Papierkar HvO, 1921

‘In de stad wordt dag aan dag het oude papier aan de huizen opgehaald om daarna in de inrichting gesorteerd en verkocht te worden, wat in 1920 een bate van ongeveer f 20.000 opleverde. De foto stelt voor, de mannen, met de kar oud papier thuisgekomen, laden deze af,’ luidt het bijschrift bij een artikel over HvO in het tijdschrift De stad Amsterdam in 1921.

Kinderen HvO, 1921

Kleine kinderen bij Hulp voor Onbehuisden in 1921.

Jonker geeft in het HvO-blad regelmatig staaltjes van schrijnende casuïstiek. Zo verhaalt hij in augustus 1921 over een gezin met zes verwaarloosde kinderen, ‘vader een dronkaard en vloeker, moeder een slechte vrouw,’ dat een beroep doet op HvO. De moeder wil niks meer met de kinderen te maken hebben. Jonker mijmert wat er van de kinderen terecht zal komen. ‘Ter wille van het kind en niet minder ter wille van de maatschappij moest hier worden ingegrepen,’ aldus de HvO-directeur en ze worden opgenomen in het Oud Buitengasthuis, want ‘in een reine omgeving hebben zij gelegenheid zich tot nuttige leden der maatschappij te ontwikkelen.’

Amsterdam zorgt voor moeders en kinderen die hulp nodig hebben, schrijft de Nieuwe Rotterdamsche Courant op 10 september, en als ‘de verzorging van deze kinderen van zeer langen duur kan zijn, heeft zij met de vereeniging Hulp voor Onbehuisden, aan wie zij reeds een groot gebouwencomplex afstond en een jaarlijksche subsidie van honderd-twintig-duizend gulden verleent! – de toevlucht voor onbehuisden van Jonker – een overeenkomst gesloten om ook in deze nood te voorzien. Maar eveneens voor deze gevallen doet Rotterdam vrijwel niets.’

Op maandag 12 september noteert de schrijver en psychiater Frederik van Eeden in zijn dagboek: ‘Ik sprak nu met Truida oover mijn idee om broeder te worden in het klooster. Pater kan ik nooit worden. Misschien wel broeder. Vroeger dacht ik aan Jonker, in ’t toevluchtshuis voor onbehuisden. Maar daar is geen boovennatuurlijk leeven.’

Tuin, HvO, 1921

Spelende in de tuin, Oud Buitengasthuis van HvO in 1921.

Jonker schrijft op 11 november een ingezonden brief in het Algemeen Handelsblad. ‘Naar aanleiding van het absoluut uitblijven der giften en het daardoor ontstaan van een ontredderden toestand onzer kasmiddelen, zien wij ons, na een lang stilzwijgen, genoodzaakt een nieuw beroep te doen op de offervaardigheid van onze stad- en landgenooten.’ Want ‘ondanks de vele moeilijkheden der laatste jaren, meenen wij in alle bescheidenheid onze roeping: den hongerige te spijzigen. den dorstige te drinken te geven, den naakte te kleeden, zij het dan ook in zwakheid, getrouw te zijn gebleven.’

1921-dagactiviteitenBurgemeester en wethouders stellen voor om Hulp voor Onbehuisden voor 1922 een ‘subsidie van ten hoogste ƒ 120.000 uit te keeren.’ Dit voorstel wordt aangenomen aldus het Algemeen Handelsblad op 10 december.

C. Stolwerk is in 1921 directeur van de mannenafdeling van HvO. C. de Winter en zijn echtgenote leiden het Jongenshuis aan de Prins Hendrikkade.

Bebrafenis mevrouw Jonker, 1921

Tijdens de begrafenis van zijn vrouw dankt Jonker de aanwezigen voor hun belangstelling, 1921.

Op 15 december 1921 overlijdt mevrouw J.C. Jonker-Clauzer, oprichtster en hoofd-directrice van Hulp voor Onbehuisden, op 49 jarige leeftijd. ‘Mevrouw Jonker heeft haar man in zijn werkzaamheden trouw ter zijde gestaan, niet het minst in den reclasseeringsarbeid. In het bijzonder heeft de overledene zich gedurende den oorlog beijverd in haar zorgen voor de hier vertoevende Belgische vluchtelingen,’ aldus het Algemeen Handelsblad.

Bestuurslid E. René van Ouwenaller schrijft een In Memoriam in het huisorgaan Stemmen uit de Diepte.

Het is een gewone maandagmorgen in het kantoor van Hulp voor Onbehuisden in het Oud Buitengasthuis. Een druk heen- en weerlopen, veel menschen en velerlei belang op dien morgen en trouwens gedurende den geheelen dag. En dan in den loop van den morgen kwam Mevrouw Jonker met haar notitieboekjes binnen, reeds had zij allerlei afgehandeld, zij moet inlichtingen inwinnen, zij moet op tal van vragen antwoorden. Veel tijd kan zij zich niet gunnen, want de dokter vraagt haar tegenwoordigheid bij zijn rondgang in de kinderafdeeling, bij het bezoek aan den zieken.

Begrafenis mevrouw Jonker, 1921

De begrafenisstoet van mevrouw Jonker in de Tweede Constantijn Huygensstraat in 1921.

Van Ouwenaller roemt haar toewijding, haar weldadige vriendelijkheid, haar woorden van vertroosting en haar werklust. Hij benadrukt dat zij zich altijd grote zorgen heeft gemaakt over het wel en wee van bewoners en zich het hoofd blijft breken over de financiële positie van HvO. Het heeft veel van mevrouw Jonker gevergd. ‘En dan telkens de reizen naar Jeanette-Oord, naar Nunspeet en naar elders!’

‘Mevrouw Jonker behoort tot die gelukkigen die door de bewondering der wereld niet zijn bedorven,’ besluit Van Ouwenaller zijn herdenking.

Dominee I.D.J. Idenburg spreekt tijdens de begrafenis van mevrouw Jonker

Dominee I.D.J. Idenburg spreekt tijdens de begrafenis van mevrouw Jonker

Jeanette Jonker wordt op 19 december onder grote publieke belangstelling begraven op Zorgvlied. ‘Behalve haar echtgenoot, de heer T. Jonker, hoofddirecteur van het Toevlucht van Onbehuisden en diens zoons, stonden in wijden kring om ’t graf de kinderen geschaard, die in het voormalige Buitengasthuis verzorging hebben gevonden. Daarachter stonden de meisjes uit het tehuis Jeanette-oord, en de jongens uit het Jongenshuis aan de Prins Hendrikkade,’ schrijft De Tijd op 20 december.

Een paar dagen later citeert De Tijd uitvoerig uit het in memoriam voor Jeanette Jonker in het blad van de katholieke vrouwenbonden.

Kinderen bij HvO, 1921

Kinderen bij HvO, 1921

‘Er is verleden week in Amsterdam een vrouw heengegaan wier nagedachtenis niet onvermeld mag blijven in De Katholieke Vrouw. (…) ’t Ligt niet in mijn bedoeling om een levensbeschrijving te geven van die hoogstaande vrouw, die haar werk van hoogste naastenliefde reeds op achttienjarigen leeftijd begon in de achterbuurten van Rotterdam – ik wil alleen een woord van groote waardeering neerschrijven voor ’t ontzaglijk stuk socialen arbeid door deze vrouw verricht, en een woord van diepe erkentelijkheid voor alles, wat zij voor de arme, ongelukkige verlaten kinderen, in ’t oude Buitengasthuis opgenomen, heeft gedaan, en voor wie zij een moeder geweest is, in de ware, in de hooge beteekenis van dat woord.
Zij, die het voorrecht gehad hebben, mevrouw Jonker van meer nabij te kennen, zij weten hoe de geschiedenis, haast altijd de tragische geschiedenis van elk kind, in haar hoofd en hart stonden opgeschreven; als men bij haar kwam om een informatie omtrent een kind, dan was ’t niet noodig dat zij haar administratieboek opsloeg. Ze kende elk geval bij naam met alle omstandigheden, met al ’t leed dat er aan verbonden was. Uit heel haar wezen, uit de vriendelijke blauwe oogen, uit haar lieve stem sprak niet anders dan meeleven met ’t leed van anderen en verlangen om op te helpen en op te heffen. En dan mag door ons wel bijzonder dankbaar herdacht worden wat zij gedaan heeft voor de Katholieke kinderen die in Hulp voor Onbehuisden waren opgenomen. Zelf niet van onzen godsdienst zijnde, was zij een zeer geloovige, een zeer vrome vrouw en heeft zij steeds zooveel in haar vermogen lag er voor gezorgd dat de Katholieke kinderen hun godsdienstplichten nakwamen.’

'Het theeuurtje der verpleegsters in den tuin,' luidt het onderschrift in tijdschrift De Stad Amsterdam in 1921

‘Het theeuurtje der verpleegsters in den tuin,’ luidt het onderschrift in tijdschrift De Stad Amsterdam in 1921

Hulp voor Onbehuisden verstrekt in 1921 300.955 verpleegdagen, dat is een gemiddelde bezetting van 825 personen per dag.

 

1922

Het echtpaar Jonker, omstreeks 1918.

Het echtpaar Jonker, omstreeks 1918.

‘Als groote groepen emigranten bij Hachnosas Ourechiem hulp vragen, dan zal het de taak van den Joodschen Vrouwenraad zijn, om te zorgen, dat allen in een Joodsch milieu onderdak vinden, zoodat ze niet bij Hulp voor Onbehuisden terecht behoeven,’ waarschuwt het Nieuw Israelietisch weekblad op 3 februari.

De Nieuwe Rotterdamsche Courant citeert op 1 april uitgebreid uit het maartnummer van Stemmen uit de diepte dat het jaaroverzicht van HvO over 1921 bevat. Over het Jongenshuis in Appelscha wordt hierin vermeld: ‘Hoewel omstandigheden er toe hebben geleid, dat het werk op de heide niet tot volle ontplooiing heeft kunnen komen, zijn wij echter met de opleiding van jongens in den tuinbouw toch voortgegaan. Veertien jongens werden er verzorgd met 2837 verpleegdagen. Het ontginningswerk ontwikkelt zich langzaam, doch gelukkig met resultaat. De opbrengst van groenten en aardappelen is niet onbevredigend en kan deels reeds voorzien in de voeding der bewoners van het huis.’

In Den Haag is op 28 april de vergadering van Vereniging van Reclasseringsinstellingen, waarbij de heer Stolwijk, reclasseringsambtenaar van Hulp voor Onbehuisden, zich in de Nieuwe Rotterdamsche Courant bevreesd toont dat vertegenwoordigers van het Centraal Bureau als deurwaarders zullen worden beschouwd, als deze met terugvordering worden belast.

Tijdens een congres van de Nederlandse Vereniging voor Armenzorg en weldadigheid is er ook een uitstapje naar de praktijk. ‘In den middag brachten de deelnemers in twee groepen verdeeld een bezoek aan Ons Huis aan de Rozenstraat en aan de Toevlucht voor Onbehuisden, waar zij werden rondgeleid door den heer Jonker, directeur,’ meldt De Tijd op 1 juni.

Dagblad Het Volk schrijft op 21 juni in een artikel over statistiek ook over het aantal nachtverblijven dat in 1921 aan daklozen is verstrekt en dat volgens deze krant ‘het geheele beeld der maatschappelijke ellende nog eens neerzet in een apotheose van jammerlijke ontbering. […] Toevlucht van Jonker 300.054, Leger des Heils 54.350, Politie 170. Totaal 355.473. Dat is ongeveer duizend dakloozen per nacht, alléén in Amsterdam.’

Advertentie in De Telegraaf 6 juli 1922Op 6 juli 1922 overlijdt Tjitte Jonker op 55-jarige leeftijd aan de de gevolgen van een blindedarmoperatie in de Boerhaavekliniek aan de Teniersstraat en verliest HvO zowel zijn directeur als oprichter.

‘De heer Jonker was een man van practisch inzicht, die zich niet verloor in theoretische sociale bespiegelingen, maar zwervers van de straat een onderdak gaf, aldus de eerste  poging doend om hen voor de gemeenschap te bewaren. Hij kreeg juist door die practijk een helder, scherp oordeel op sociologisch gebied. Het werk van Jonker zal voor hem blijven spreken tot in lengte van dagen,’ schrijft De Telegraaf dezelfde dag.

‘Zijn lichaam was door een in Afrika opgedane ingewandsziekte verzwakt, terwijl ook de dood van zijne echtgenoote hem nogal sterk had aangegrepen,’ schrijft Hepkema’s Courant onder de kop ‘Een nobele Fries.’
Ook in de Leeuwarder Courant is er lof voor de Jonkers:

‘Want dit is voor mij altijd de groote verdienste van het echtpaar Jonker geweest, dat er te Amsterdam, de groote stad, waar zooveel menschelijk wrakhout te zamen drijft, waar zoveel ellende geleden wordt, één deur is die nimmer gesloten wordt, die altijd openstaat; waar nooit gezegd wordt: ‘we geven niet aan de deur,’ waar nooit van uit de zijkamer vinnig ‘neen’ wordt geschud tegen hongerige en gebrek-lijdende zwervers, waar nimmer naar religie gevraagd wordt en evenmin naar het gedragboekje. Dat er ééne stichting is, die verder gaat dan de gereglementeerde particuliere en kerkelijke liefdadigheid, en misschien ook wel kan gaan. […] Een ieder was welkom bij Jonker, zelfs les misérables, die bedekt waren met ongedierte.’

Overlijdensbericht in De Stad Amsterdam

Overlijdensbericht van Jonker in ‘De Stad Amsterdam’

Bij de begrafenis van mevrouw Jonker was al sprake van grote publieke belangstelling en waren veel prominenten aanwezig. De uitvaart van de heer Jonker wordt een nog grotere manifestatie van respect voor de man die zoveel voor Amsterdam heeft betekend.
Volgens burgemeester W. de Vlugt, die samen met wethouder I.H.J. Vos en gemeentesecretaris J.J. Roovers het gemeentebestuur vertegenwoordigt tijdens de begrafenis, is het nieuws van de dood van Jonker ‘met de snelheid van het licht’ door de stad gegaan.

‘Het woord werd onder meer gevoerd door burgemeester De Vlugt, die namens het gemeentebestuur zijn achting uitsprak jegens den overledene, die hij reeds had geprezen om zijn grooten ijver, waarmee hij het gewichtige werk, dat hij zich tot taak had gesteld en dat steeds bewondering had gewekt en zal blijven wekken, heeft verricht. Diep ontroerd verlieten allen het kerkhof,’ aldus De Tijd op 11 juli.

Graven van Jeanette en Tjitte Jonker op Zorgvlied, 2005

‘Op Zorgvlied stonden honderden om het open graf geschaard,’ aldus het Utrechts Nieuwsblad van 11 juli, ‘De groote liefde was het die gemaakt heeft dat Jonker niet alleen door zijn kinderen wordt gemist maar door zoovelen, die hem gekend hebben, zelfs buiten Amsterdam.’  Volgens de krant zegt burgemeester De Vlugt bij deze gelegenheid: ‘Jonker was in de kring der maatschappelijk misdeelden de man tor wien zij allen hun toevlucht namen. Maar hij was ook een goede bekende in den kring der beter bedeelden, die hem met hun geld in zijn werk konden bijstaan. Hij was evenzeer bekend bij de regeering van het land en van de stad.’

Vrijwel alle dagbladen besteden aandacht aan het overlijden van Jonker en schrijven lovende woorden over het werk van Hulp voor Onbehuisden. Daarbij wordt veel nadruk gelegd op de godsdienstigheid en godsdienstvrijheid van de Jonkers. Ook bestuurslid Mendes da Costa roemt tijdens de begrafenis de religieuze ruimdenkendheid van het echtpaar: ‘Voor Jonker waren alle godsdienstige gezindten volkomen gelijk en hij zag er op toe dat iedereen zijn godsdienstplichten kon uitoefenen.’

Kinderen, HvO, 1922

‘Bij opname na het bad’ en ‘Na drie maanden verzorging’ luiden de fotobijschriften in het HvO-blad in 1922.

In augustus geven de Zwitserse Feldmusik-Verein en het Mittwoch-Gesellschaft uit Bazel diverse concerten in Amsterdam. De opbrengst van het optreden op zondag 20 augustus onder leiding van kapelmeester Paul Kabisch in het Concertgebouw komt ten goede aan Hulp voor Onbehuisden, aldus De Tijd.

De naam Jonker en Hulp voor Onbehuisden zijn dermate vervlochten (HvO wordt dan nog vaak het huis, de toevlucht of de stichting van Jonker genoemd), dat het bestuur het eind augustus nodigt acht om in ingezonden brieven in De Tijd en De Telegraaf te verzekeren dat het werk van Hulp voor Onbehuisden doorgaat. Men hoopt bovendien dat de vereniging op de steun van de vele vrienden van het echtpaar Jonker kan  blijven rekenen.
‘Hier en daar zullen veranderingen dringend noodzakelijk zijn. Zoo is bereids in voorbereiding het terugbrengen van de hoofdadministratie van de Keizersgracht 152 naar het gebouwtje op het terrein van het Oud-Buitengasthuis.’

De gemeente Amsterdam trekt voor HvO in 1923 ƒ 120.000 subsidie uit onder nader door B&W vast te stellen voorwaarden, meldt de Nieuwe Rotterdamsche Courant op 12 september.

Tijdens een debat van de Maatschappij tot Nut der Israëlieten in Nederland over criminaliteit merkt A.J. Mendes da Costa volgens het Nieuw Israelietisch weekblad op het voorrecht te hebben bestuurder te zijn van Hulp voor Onbehuisden en het daaraan verbonden Observatiehuis. ‘Als zodanig verheugt het spr. te kunnen mededeelen dat de criminaliteit onder de Amsterdamsche jeugd aan het afnemen is. Spr. heeft tevens kunnen ervaren dat door de neutrale vereenigingen goed werk wordt geleverd. Het zijn volstrekt geen anti-godsdienstige instellingen. Voor alle gezindten wordt gezorgd.’

1922-nrc-8-oktoberBata adverteert in oktober onder meer in de Nieuwe Rotterdamsche Courant met een zogeheten ‘oude schoenenweek.’ Wie nieuwe schoenen koopt, krijgt geld voor zijn oude schoenen, die Bata vervolgens beschikbaar stelt aan een weldadigheidsinstelling om onder ‘onvermogenden’ te verdelen. In Amsterdam is dit Hulp voor Onbehuisden.
Blijkbaar heeft de actie succes. De Telegraaf meldt op 22 oktober dat Bata HvO ‘ten behoeve van de verpleegden in het bezit heeft gesteld van 7856 paar oude schoenen.’

Tijdens de jaarvergadering van Hulp voor Onbehuisden op 20 november wordt Mr. J. A. van Sonsbeeck als bestuurder herbenoemd en worden mevrouw Lientje de Bussy Kruysse (een van de eerste gediplomeerde verpleegsters in ons land) en de heren Karel Gustaaf Goedewaagen Jr. (directeur van de Incassobank in Amsterdam) en Mr. H. G. J. Maas Geesteranus benoemd tot bestuurslid.

Het bestuur van HvO heeft een brochure uitgegeven over het echtpaar Jonker en hun werk, ‘een kostbare erfenis die niet verloren mag gaan,’ aldus Het Vaderland op 29 november.
Kijk hier om de brochure ‘Het echtpaar Jonker en hun werk’ te lezen.

Op 30 december 1922 wort voor het Oude Buitengasthuis een monument onthuld te nagedachtenis aan het echtpaar Jonker.

Op 30 december 1922 wort voor het Oude Buitengasthuis een monument onthuld te nagedachtenis aan het echtpaar Jonker.

Op zaterdag 30 december vindt ’s middags om drie uur op het terrein van het Oude Buitengasthuis de onthulling plaats van een eenvoudig monument met de tekst met de tekst ‘Als dankbare herinnering van ouders en verpleegden voor het groote werk door den heer T. Jonker en mevrouw Jonker-Clauzer verricht.’
Een van de sprekers bij deze gelegenheid is de heer J. de Jong, een oud-verpleegde. Hij wijst erop dat het die dag juist de  geboortedag van Jonker is en vertelt dat deze verjaardag ‘steeds op Oudejaarsavond in het Toevlucht met de verpleegden gevierd werd. Dan waren de heer en mevrouw Jonker als vader en moeder temidden hunner kinderen,’ aldus het Nieuwsblad van het Noorden.
De Nieuwe Rotterdamsche Courant meldt de volgende dag dat op de achterkant van de gedenkzuil het volgende vers staat gegrift:

Monumrent HvO, 1923

Monument ter nagedachtenis aan de Jonkers voor het Oud Buitengasthuis. Voorpagina van de ‘De Stad Amsterdam’, 9 januari 1923.

Gij hebt beiden in Uw dagen
’t leed van velen helpen dragen
en met een bewogen hart
steeds gedeeld in anderer smart
Wreed verdrevenen door de vloeden
of wier hart door oorlog bloedde
Vlamingen en Walen saam
noemen dankbaar Uwen naam

Het ovale in steen gehouwen portret van de Jonkers uit dit monument bevindt zich momenteel, na enkele omzwervingen door de stad, in een muur van de hal van de Poeldijkstraat 10, waar het bij de opening van deze locatie van HVO-Querido op 4 november 2011 is onthuld door bewoner Chris Wolfrat en burgemeester Eberhard van der Laan.
Kijk hier voor  een artikel over deze opening.

Het bestuur van Hulp voor Onbehuisden gaat op zoek naar een nieuwe hoofddirecteur. Men kiest hiertoe uit drie kandidaten in november 1922 Gradus Hubertus Honing (1877), oud infanterieofficier en wiskundeleraar en op dat moment directeur van het Rijksopvoedingsgesticht voor jongens in Leeuwarden. Honing is eerder directeur van Rijksopvoedingsgestichten in Alkmaar, Avereest en op de Kruisberg bij Doetinchem.
Honing gaat in januari 1923 aan de slag en zal tot 1946 directeur van HvO blijven.

In 1922 verstrekt HvO in totaal 279.407 verpleegdagen en nachtverblijven, dat is gemiddeld 765 mensen per dag.

 

1923

Honing, HvO, 1923

G.H. Honing, de nieuwe directeur van Hulp voor Onbehuisden, in 1923.

De Amsterdamse Gymnastiekvereniging Kracht en Vlugheid houdt op 3 februari een uitvoering in de grote zaal van het Concertgebouw. ‘Het batig saldo is bestemd voor de Vereniging Toevlucht voor Onbehuisden,’ meldt het Algemeen Handelsblad.

De heer en mevrouw Gouda-De Vries laten 163.000 gulden na aan een veertigtal instellingen, waaronder Hulp voor Onbehuisden dat ƒ 10.000 krijgt, zo weet het Nieuwsblad van Friesland.

De nieuwe directeur Honing krijgt van het bestuur van Hulp voor Onbehuisden de opdracht om het werk van Jonker in stand te houden. Dat betekent in de eerste plaats het op orde brengen van de financiën. Er volgt dan ook een aantal kostenbesparende maatregelen: het hoofdkantoor aan de Keizersgracht wordt gesloten en in de komende jaren verdwijnen alle afdelingen buiten Amsterdam.

Advertentie, Algemeen Handelsblad, 21 februari 1923

Advertentie, Algemeen Handelsblad, 21 februari 1923

Een nieuwe directeur betekent ook nieuwe gewoonten en werkwijzen. Zo laat Honing de administratie uit oogpunt van efficiëntie bij voorkeur gebruik maken van de giro en introduceert hij opnameformulieren voor het Observatiehuis.

In het Nieuw Israelietisch weekblad van 16 maart wordt gepleit voor een tehuis voor joodse ongehuwde moeders en voor een joods kindertehuis, want deze mensen komen nu terecht bij de Toevlucht voor Onbehuisden.
Een week later bericht hetzelfde weekblad over een vergadering van de Vereeniging Maatschappelijk Werk onder Joodsche Zieken te Amsterdam. ‘Gepoogd is gedaan te krijgen, dat bij Jonker een ritueele keuken wordt ingericht. Zuster van Esso zegt, dat Jonker alleen gedurende Pesach voor ritueel eten zorgt,’ aldus het Nieuw Israelietisch weekblad.

In het voorjaar van 1923 verschijnt er een kleine brochure met Regelingen ten dienste van het personeel der vereeniging Hulp voor Onbehuisden, vastgesteld in de bestuursvergadering van maart. Hierin lezen we onder meer welke functies er zoal zijn bij de vereniging en op hoeveel vakantie de verschillende werknemers recht hebben. Dat varieert van drie weken per jaar voor directie en afdelingshoofden tot een week voor het ‘lager personeel.’ Maar ‘bij gebrek aan ijver, geschiktheid of bekwaamheid, kan eene aanvrage om vacantie worden geweigerd.’
Kijk hier om deze brochure te lezen.

Het Oud Buitengasthuis in de jaren twintig.

Het Oud Buitengasthuis van Hulp voor Onbehuisden, met de gedenksteen voor de Jonkers, in de jaren twintig.

Een kruimeldief krijgt volgens het Algemeen Handelsblad op 12 april het volgende te horen van de politierechter:
‘Ik veroordeel u tot twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met drie jaar proeftijd en met de bijzondere voorwaarde, dat u zich gedraagt naar de voorschriften van de Vereeniging Hulp voor Onbehuisden, aan wie opgedragen wordt u hulp en steun te geven.’

HvO zoekt via advertenties in het eigen tijdschrift werk voor verpleegden.

HvO zoekt onder de noemer ‘arbeid adelt’ via advertenties in het eigen tijdschrift werk voor verpleegden. Dit is een advertentie uit oktober 1923.

Een landloper staat terecht wegens vernieling. Hij wordt veroordeeld tot één dag hechtenis voor de landloperij en één maand voorwaardelijke gevangenisstraf ter zake van de vernieling aldus het Algemeen Handelsblad. ‘Dit op aanbeveling van de Vereeniging Hulp voor Onbehuisden, die hem onderdak wil geven totdat werk voor hem gevonden is.’ ‘Ik zie er geen baat bij,’ zegt de verdachte, ‘ik heb bij verschillende lui, ook bij Jonker, geïnformeerd. Er waren vaklieden bij, die twee, drie jaar in de inrichting waren en geen baas kregen.’

‘Diphtherie treedt weinig op. De kinderafdeeling van Toevlucht voor Onbehuisden is thans tegen diphtherie geïmmuniseerd. De besmettingsbron bestaat dus niet meer,’ aldus L. Heyermans, directeur van de Geneeskundige Dienst, in De Tijd op 20 juni.

Een taak die Honing ook overneemt is het schrijven van stukjes voor het huisorgaan van HvO dat met ingang van juli 1923 opnieuw net als de vereniging Hulp voor Onbehuisden heet. Het blad verschijnt voorlopig elk kwartaal en is ‘gewijd aan de belangen van kinderen, vrouwen, zwervers, ontwrichte gezinnen en gedeclasseerden.’ De oplage is 25.000 exemplaren.

Honing, door Jo Spier. jaren '20

Honing, directeur van HvO, in de jaren ’20, tekening van Jo Spier.

In een van zijn eerste stukken behandelt Honing de verhouding tussen overheidsbemoeienis en particulier initiatief:

De zorg voor misdeelden is voor elke samenleving als het ware een peilglas waarop men kan aflezen de hoogte die de beschaving in die gemeenschap bereikte. Naarmate er meer zorg aan ongelukkigen wordt besteed, is het beschavingspeil hoger. Het is een eenvoudige waarheid, die geen bewijs behoeft. Toch is het niet ondienstig haar in herinnering te brengen in deze tijd van economische malaise. Het maatschappelijk werk in Nederland staat op een hoog peil.
In dezen tijd van geringe verdiensten en hooge belasting is er gevaar dat degelijke eenvoudige waarheden onwillekeurig wat op den achtergrond geraken. Staat en gemeente streven naar bezuiniging, besnoeien licht ook subsidie aan philantropische instellingen; de particulieren bezuinigen eveneens en verminderen hunne giften; het gevolg zou kunnen zijn dat het maatschappelijk werk groote schade leed tot nadeel van degenen die zijne hulp behoeven zoowel als van de geheele gemeenschap.
Want Staatshulp en Gemeentehulp zullen wel nimmer ontbeerd kunnen worden; toch zou ons ideaal zijn dat de particulieren het overgroote deel der lasten op dat terrein zouden willen dragen.

Titelblad van het HvO-blad van oktober 1923

Titelblad van het HvO-blad van oktober 1923

In het julinummer van het tijdschrift van HvO staat een artikeltje over de bioscoopwet die dan zojuist door de Tweede Kamer is verworpen. Hulp voor Onbehuisden hoopt evenwel op spoedige maatregelen die ‘kinderen wel eenigzins beschermen tegen de gevaren die de bioscoop ontegenzeggelijk aankleven.’

Op 8 augustus overlijdt mr. J. G. Schölvinck op 60-jarige leeftijd. Hij was wethouder van armenzorg in Amsterdam en is bestuurslid van HvO sinds de oprichting in 1904. Op 13 september overlijdt op 58-jarige leeftijd het voormalig bestuurslid van HvO Karel van Lennep.

‘In het weekblad De Amsterdammer wijst Annie Salomons op een der indirecte uitvloeiselen van den oorlog: een nieuwe categorie van “onbehuisden”, van zwervers zonder eigen haard, daklooze, doellooze rondtrekkers, die van stad tot stad, van land lot land gaan zonder eigenlijk doel, zonder werk, zonder banden of verplichtingen, los van het echte, eigenlijke leven,’ meldt de Leeuwarder courant op 27 augustus.

Advertentie van de Bijenkorf in De Telegraaf, 26 augustus 1923

Advertentie in De Telegraaf, 26 augustus 1923

Het aantal nachtverblijven dat aan onbehuisden wordt verleend, neemt toe in het tweede kwartaal van 1923 (87.390 tegen 81.744 in hetzelfde kwartaal in 1922). De Tijd ontleent deze cijfers aan het Gemeentelijk Bureau voor de Statistiek.

Bij het feest dat de Oranjevereniging ‘Wat ook val, trouw staat pal’ op 31 augustus op het IJsclubterrein organiseert, zijn ook zestig kinderen van Hulp voor Onbehuisden van de partij, weet De Telegraaf.
‘Zooals men weet, heeft de directie van de Bijenkorf de opbrengst van de plaatsen, welke zij heeft verhuurd gedurende de Jubileumfeesten, bestemd voor de Ver. Hulp voor Onbehuisden. Thans vernemen wij, dat een bedrag van ƒ 2013 aan deze Vereeniging zal worden afgedragen,’ meldt De Tijd.

Legaat HvO, 123

De engel van Amsterdam, fondsenwerving van HvO in 1923.

In 1923 verschijnt in Amerika The Hobo: The Sociology of the Homeless Man van de socioloog en ervaringsdeskundige Nels Anderson (1889-1986). Het boek is met zijn dan nieuwe onderzoeksmethode van participerende observatie inmiddels een klassiek voorbeeld van de zogeheten Chicago School in de sociologie.  Anderson wil met zijn studie inzicht verschaffen in de ‘urban jungle’ en onderscheidt vier typen daklozen:
hobo – rondtrekkende arbeider die soms (seizoens)werk zoekt;
tramp – landloper die rondtrekt en niet werkt;
bum – stedelijke dakloze, vaak verslaafd aan drank of drugs, soms ook met psychiatrische aandoeningen;
home guard – stedelijke scharrelaar, die nu en dan (ongeschoold) werk doet.
Volgens Anderson is de ‘bum’ het meest hopeloos en hulpeloos en vaak volledig aangewezen op bedelarij en liefdadigheid.

Kinderen, HvO, jaren '20

Klasje met jonge kinderen in het Oud Buitengasthuis van Hulp voor Onbehuisden in de jaren twintig.

Een landloper die wordt verdacht van vernieling staat voor de politierechter. ‘Ten slotte was hij in Hulp voor onbehuisden terecht gekomen, maar op 2 Nov. is hij bij “Jonker” weggeloopen, omdat hij zich, als krachtige jonge kerel tot ander werk in staat, schaamde om met den papierwagen te loopen,’ meldt Het volk, dagblad voor de arbeiderspartij.

Toevlugt voor Behoeftigen aan de Passeerdersgracht, 1923

Toevlugt voor Behoeftigen aan de Passeerdersgracht, 1923

De Toevlugt voor Behoeftigen aan de Passeerdersgracht houdt per 1 december 1923 na ongeveer 90 jaar op te bestaan, ‘zoodat de zwervers zich voortaan tot Hulp voor Onbehuisden zullen moeten wenden. Zullen zij dat doen? Hulp voor Onbehuisden, door de klanten nog altijd Jonker genoemd, heeft de strekking van een reclasseeringsinrichting en er zijn hu eenmaal menschen, die niet gereclasseerd willen worden, die liever onder bruggen of in portieken slapen, dan naar Jonker gaan. Zulke verworpelingen vonden bij de Toevlugt onderdak. Jonker heeft nu ook een afdeeling voor zulke zwervers, maar velen durven daar niet goed aan, uit vrees toch gereclasseerd te zullen worden,’ meldt het Algemeen Handelsblad.

Op 20 december is de jaarvergadering van HvO.

Detail van het grafmonument van Jonker op Zorgvlied.

De urn met het Griekse woord voor ‘vrede’ op het grafmonument van Jonker op Zorgvlied.

Op 30 december – de geboortedag van Jonker – plaatst Hulp voor Onbehuisden een gedenksteen op het graf van de oprichter op begraafplaats Zorgvlied. Het monument bestaat uit een hardstenen onderstuk, waartegen marmeren platen zijn aangebracht. Op dit hardstenen gedeelte staat een marmeren urn, vervaardigd door de beeldhouwer B. E. Verkerk. C.H. Bennink, voorzitter van de commissie van het personeel dat hiervoor geld heeft ingezameld, roemt bij deze gelegenheid Jonkers ‘liefde voor de maatschappelijke schipbreukelingen,’ aldus het Algemeen Handelsblad op 31 december. Ook Het Vaderland, De Tijd en de Nieuwe Rotterdamsche Courant besteden hier aandacht aan, De Telegraaf wijdt er een foto aan.

Het jaar 1923 in cijfers: het aantal nachtverblijven aan onbehuisden was groter dan verleden jaar (347,203 tegen 333,540 in 1922), aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant.
Hulp voor Onbehuisden verstrekt in 1923 in totaal 290.331 nachtverblijven en verpleegdagen, gemiddeld 795 per dag.

 

1924

In een artikel over zogeheten ‘ontoelaatbare gezinnen’ schrijft sociaal democratisch weekblad De Tribune op 21 januari over het gebrek aan woningen met een lage huur: ‘Dit heeft tot gevolg, dat honderden huisgezinnen, die het ergst gekweld worden door dezen misère-tijd, in de knel komen en dakloos worden, daar zij bedanken voor het Toevlucht voor Onbehuisden, meer bekend onder den naam van Jonker, waar men ze studdy aan naar verwijst.’

De entree van het Oud Buitengasthuis van HvO, 1924

De entree van het Oud Buitengasthuis van HvO, 1924

Het Algemeen Handelsblad schrijft op 9 februari over de ongelijke positie van de vrouw:

Op zekeren dag verlaat de man zijn gezin om zich elders, met een andere vrouw, te vestigen. Alsof door dit alles het gezin nog niet genoeg getroffen werd, wendde hij zich schriftelijk tot den huiseigenaar en zegde deze de huur op. In een geval als dit staat de huurcommissie onmachtig. De huiseigenaar gaf blijk van weinig humaniteit en liet tot uitzetting overgaan! Men kan zich levendig voorstellen de positie waarin deze vrouw met haar kinderen kwam te staan, niet alleen dakloos, doch ook broodeloos. Overdag zwierven de kinderen op straat, terwijl moeder werkvrouw in een café is geworden en ’s nachts hun onderkomen bij Hulp voor Onbehuisden moet worden gezocht. Dat de man dit alles aan zijn gezin kan berokkenen is bepaald een leemte in de Wet.

Advertentie, De Telegraaf, 18 april 1924

Advertentie, De Telegraaf, 18 april 1924

Op 15 januari 1924 hebben de hoofdstedelijke instellingen voor kinderbescherming zich gegroepeerd tot een Federatie van Instellingen voor Kinderbescherming te Amsterdam (F.I.K.A.). Op 16 maart worden de statuten vastgesteld. Hulp voor Onbehuisden is lid van de F.I.K.A. en Honing zit in het bestuur.

Honing wordt op 17 maart gekozen tot bestuurslid van Pro Juventute tijdens de jaarvergadering van deze voogdijvereniging in het Stedelijk Museum. Honing houdt bij deze gelegenheid een causerie over Observatiehuizen. ‘Vroeger was de taak der huizen alleen na te gaan, welke maatregelen op de kinderen moesten toegepast, thans onderzoeken zij ook of vervolging noodig is,’ aldus Honing in het Algemeen Handelsblad. Hij benadrukt dat het Observatiehuis geen strafinrichting is, ‘al heeft de verpleging soms het resultaat van een doelmatige straf.’ Medewerkers van een Observatiehuis moeten ‘een warm hart en een koel hoofd’ hebben.
‘Wie de zedelijke verwoestingen heeft gadegeslagen bij minderjarigen gedurende de oorlogsjaren in de huizen van bewaring waar zij dikwijls maandenlang in gezelschap van volwassen misdadigers verkeerden, acht het een zegen, wanneer de knapen “gehecht” kunnen worden in een observatiehuis,’ aldus Honing volgens De Telegraaf.

Zicht vanuit het westen over de Kostverlorenvaart met rechts het Observastiehuis van HvO aan de Vosmaerstraat in de jaren '20.

Zicht vanuit het westen ter hoogte van het huidige Paramariboplein over de Kostverlorenvaart met rechts het Observatiehuis van HvO aan de Vosmaerstraat in de jaren ’20.

Op 31 maart bezoeken Wilhelmina en Juliana Amsterdam. In een open calèche maken zij een rijtoer door de stad. ‘Tweemaal werden de Koningin en de Prinses bloemen aangeboden, bij de Toevlucht voor Onbehuisden bij de 2de Constantijn Huygensstraat, waar een aantal kleine bewoners fraai met oranjesjerpen getooid aan ’t trottoir stond opgesteld, later door een der leerlingen van de R.K. meisjes H.B.S. aan de Vondelstraat,’ aldus de Nieuwe Tilburgsche Courant.

Martin Monnickendam, drie maal de Conservatoire des Arts et Métiers

Martin Monnickendam, drie maal de Conservatoire des Arts et Métiers

Een van de bekendste schilderijen van de de Nederlandse kunstschilder Martin Monnickendam (1874-1943) is de Conservatoire des Arts et Métiers, waarmee hij nationaal en internationaal de aandacht trok. Van dit schilderij bestaan verschillende versies – ook als École des Arts et Métiers – en er is een flink aantal voorstudies van de afzonderlijke figuren bewaard gebleven. Het doek maakt deel uit van de eretentoonstelling die in 1924 vanwege de vijftigste verjaardag van Monnickendam wordt georganiseerd in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

‘Te Parijs maakte hij ook zijn schetsen voor zijn groot doek “Conservatoire des Arts et Métiers”, dat hij te Amsterdam vervaardigde met modellen, die hij voornamelijk bij Jonker (Hulp voor Onbehuisden) vond, en welk schilderij thans met de stukken “Schouwburgloge” en “De Optocht komt” in het Stedelijk Museum zijn geplaatst,’ aldus weekblad De Vrijdagavond van 4 april 1924.

Monnickendam is van jongs af aan vertrouwd met de aanblik van dak- en thuislozen, hij groeit op aan de Binnen Amstel, dat is om de hoek bij de Toevlucht voor Onbehuisden, de voorloper van onze organisatie, op de plaats waar nu de Stopera staat.

Schetsen die Monnickendam bij de Toevlucht voor Onbehuisden maakt.

Schetsen die Monnickendam bij de Toevlucht voor Onbehuisden maakt.

‘Achthonderd menschen in nood’. Net als zijn voorganger roept Honing in de pers, onder meer in Het Vaderland, het publiek op tot geldelijke steun aan Hulp voor Onbehuisden.

Onder de toepasselijke kop ‘Moordaanslag’ verhaalt staat- en letterkundig nieuwsblad Het Vaderland op 9 mei het volgende:

Gisteren wandelde een gewezen marine-stoker, oud-verpleegde van de Toevlucht voor Onbehuisden te Amsterdam, het gebouw aan de Constantijn Huygensstraat binnen en begaf zich naar de keuken, waar eenige vrouwelijke verpleegden aan het werk waren. Met een harer had hij een woordenwisseling. De man haalde plotseling een knipmes te voorschijn, trok het open en stak onverhoeds de vrouw in den hals. Ze kreeg een diepe snede over gelaat en hals, waarbij de slagader gelukkig niet geraakt werd. Op haar luid gegil kwamen andere verpleegden en personeel toesnellen. Men trachtte het bloed te stelpen en bracht de getroffene over naar het Wilhelmina gasthuis.
De dader werd tegengehouden en een agent arresteerde hem. Hij verklaarde den opzet gehad te hebben de vrouw te dooden, omdat zij den omgang, die zij sedert geruimen tijd hadden, had verbroken. Reeds eenige keeren had hij haar gedreigd, doch tot een bepaalde daad was het nooit gekomen. Daar hij vroeger eveneens bij Jonker verpleegd was. wist hij waar hij de vrouw spoedig in het gebouw kon vinden. Het slachtoffer is niet levensgevaarlijk gewond.

Mr. G.T.J. de Jongh

Mr. G.T.J. de Jongh

De rechtbank veroordeelt de dader tot een jaar en zes maanden gevangenisstraf wegens poging tot zware mishandeling, aldus De Tijd.

Het bestuur van Hulp voor Onbehuisden probeert na de ervaringen met de eigenzinnige Jonker zijn eigen positie ten opzichte van de directie te verstevigen. Men trekt niet alleen meer bestuursleden aan, er worden ook specialisten op allerlei terrein gezocht: een rechter – mr. G.T.J. de Jongh, sinds 1922 de eerste kinderrechter bij de Amsterdamse rechtbank – juristen gespecialiseerd in de kinderbescherming en het gevangeniswezen en artsen.
Honing ontpopt zich al snel als minstens zo’n eigengereide persoonlijkheid als zijn voorganger Jonker, dus het bestuur kan alle steun goed gebruiken.

Hotel café-restaurant De Hoop, het volkslogement van Hulp voor Onbehuisden met 60 kamers in de Warmoesstraat 158, wordt in 1924 opnieuw ‘naar de eischen des tijds’ ingericht. Een lunch kost er ƒ1, 25, de prijs voor een diner varieert van ƒ1,40 tot ƒ2. Je kunt er à la carte eten of een dagschotel van ƒ0,90 gebruiken. Er is bovendien een afzonderlijke eetzaal voor gezelschappen.

De Hoop, HvO, 1924

Eetzaal van De Hoop, volkslogement van HvO in de Warmoesstraat, 1924.

Honing spreekt op 5 juni voor de Centrale Nederlandse Ambtenaarsbond in Den Haag over de leemten in ons gevangenisstelsel. Straf is volgens Honing in Het Vaderland een meerzijdig begrip. ‘Sommigen willen nog steeds niet het element van verbetering, hoewel Augustinus en Thomas van Aquino reeds uitdrukkelijk op het verbeterend element der straf wezen. De verbeteringsfactor komt in ons stelsel nog altijd veel te weinig tot zijn recht, hoewel het cellulaire systeem aanvankelijk juist van inkeer en bekeering uitging.’

On de kosten te drukken ziet HvO zich in 1924 gedwongen commerciële advertenties in het tijdschrift op te nemen.

On de kosten te drukken ziet HvO zich in 1924 gedwongen commerciële advertenties in het tijdschrift op te nemen.

De overheid gaat een steeds grotere financiële rol spelen in de armenzorg. Ook particuliere instellingen als Hulp voor Onbehuisden worden voor het overgrote deel gesubsidieerd door de overheid. ‘B. en W. stellen den Raad voor aan de Vereeniging Hulp voor Onbehuisden voor het jaar 1925 een subsidie van ten hoogste ƒ 120.000 toe te kennen, evenals vorig jaar,’ aldus het Algemeen Handelsblad op 21 september.
Niet alleen moet het particulier initiatief zich profileren tegenover de concurrentie van de overheid. Zo vangt de gemeente Amsterdam vanaf de jaren twintig zelf ook kinderen van zieke moeders op in het Burgerweeshuis, wat overigens niet betekent dat dit niet meer van HvO wordt verwacht, de vraag is nu eenmaal groot. Diezelfde overheid stelt als financier aan de gesubsidieerde instelling strenge eisen als het gaat om kwaliteit en het naleven van wet- en regelgeving.
Bovendien houden de pers en de publieke opinie de instellingen scherp in de gaten. Misstanden worden doorgaans direct aan de orde gesteld.

Op 16 oktober publiceert het Nieuwsblad van het Noorden een interview met Honing over HvO, Jonker en meer.

‘Veertien jaren heeft hij gearbeid op maatschappelijk gebied en ik begin pas wat te begrijpen zegt hij. Ik ben er nog kort in, want dit werk eischt jaren en jaren van volkomen overgave van zoeken en tasten, van trachten door te dringen in de kern der dingen, in het hart der menschen, om te leeren begrijpen. “Er wordt vaak critiek uitgeoefend,” zegt de heer Honing, “dat mijn voorganger te veel begon, te snel uitbreidde. Maar dit is niet waar, hij zag de gelegenheden, hij begreep, dat er in voorzien moest worden en gelukkig ook, begon hij er mee.”
Jonker begon met een asyl voor dakloozen, onbehuisden. Daar kwamen mannen en vrouwen en kinderen. Maar een asyl brengt een internaat mee. ‘s Nachts krijgen de menschen een bed, maar dan moeten zij de straat op. En dat gaat niet op den duur. Alleen nachtverblijf geven, helpt niet, het zou worden, een gratis hotel, wat zeer zeker niet anders dan verlammend op de energie der hulpzoekenden zou werken. Er moet dus een gelegenheid zijn om te kunnen zeggen, goed, je kunt een onderkomen vinden, maar wil je er dan voor werken? Heb je werk noodig, wij kunnen je er aan helpen. Je kunt toch niet de vrouwen en kinderen overdag de straat op sturen en hen in hunne ellende laten ronddolen?’

Op 23 oktober is de jaarvergadering van HvO.

Prins Henddrikkade 165, waar het Jongenshuis van HvO is gevestigd, in de jaren '20.

Prins Henddrikkade 165, waar het Jongenshuis van HvO is gevestigd, in de jaren ’20.

Hulp voor Onbehuisden beroept zich in het Algemeen Handelsblad op de recente Verklaring van Genève van de Volkenbond over de rechten van het kind. Die verklaring zegt o.a.: “Het kind moet in staat gesteld worden, zich op normale wijze te ontwikkelen, stoffelijk en geestelijk. Het kind dat honger heeft, moet gevoed worden; het zieke kind moet verpleegd worden; het achterlijke kind moet voortgeholpen worden; het afgedwaalde kind moet op den goeden weg gebracht worden; de wees en het verlaten kind moeten opgenomen worden.” En juist dat werk doet HvO en daarvoor is geld nodig.

In het Nieuwsblad van het Noorden vertelt een medewerkster van Hulp voor Onbehuisden wat haar motiveert. ‘Och,” zegt de zuster, “je wanhoopt wel eens, maar juist toen ik den moed wilde opgeven, en met vacantie ging, schreef het meisje mij een brief, waarin zij dit zeide: “ik weet, dat ik erge dingen doe, maar u weet niet, hoe je wordt, als je zulke vreeselijke dingen meemaakt.” En dan probeer je het weer.’

‘B. en W. vragen den Gemeenteraad machtiging aan de Vereeniging Hulp voor Onbehuisden over het jaar 1923 een subsidie te verleenen van ƒ 23.970.74 boven het over dat jaar reeds toegestane, voor 1924 stelt men ƒ 14.000 extra voor plus een voorschot van ƒ 20.000, bedoeld voor onderhoud aan het Oud Buitengasthuis,’ aldus het Algemeen Handelsblad op 27 november.

Herman Heijermans

Herman Heijermans

Kort na het overlijden van de schrijver Herman Heijermans op 22 november publiceert Het Volk een onuitgegeven gedicht dat deze auteur in 1895 schrijft ter gelegenheid van een weldadigheidsfeest ten bate van de Toevlucht voor Onbehuisden. Het gedicht is opgedragen aan Amy Grothe-Twiss. Zij is getrouwd met Alexander Grothe, een van de oprichters en lid van de beheerraad van de Toevlucht. Zij schrijft de kinderrubriek in De Telegraaf van Henry Tindal, de initiatiefnemer van deze Toevlucht. Zie hierover onze voorgeschiedenis.

Bij de bespreking van de toekenning van subsidie aan Hulp voor Onbehuisden merkt het communistische raadslid Doornbusch volgens De Telegraaf op dat het hier gaat om het pand van Jonker, ‘het triestige gebouw waarin de dakloozen door de kapitalisten worden weggestopt.’
De communisten willen liever een volkshotel en kindertehuizen van gemeentewege, maar staan daarin alleen in de Amsterdamse gemeenteraad.

Mandolinekwartet Con Brio geeft op zondag 14 december een concert bij het Observatiehuis van HvO met medewerking van goochelvereniging Hands Down onder leiding van dr. Frenkel, meldt Het Volk, dagblad voor de arbeiderspartij.

Dankbetuiging, Het Volk, 18 december 1924

Dankbetuiging, Het Volk, 18 december 1924

De kinderen die bij Hulp voor Onbehuisden wonen, bezoeken in december op uitnodiging van het Duitse Circus Henny van de bekende Julius Gleich gratis een voorstelling in Carré. Honing publiceert hiervoor namens HvO op 18 december een dankbetuiging in dagblad Het Volk. De aankomst van dit circus is op 15 november 1924 een item in het bioscoopjournaal.

Aan het eind van 1924 vertrekken de laatste meisjes van Jeanette-Oord in Houten naar het naastgelegen Folmina-paviljoen en wordt Jeanetteoord na bijna veertien jaar gesloten.

Het aantal nachtverblijven aan onbehuisden in Amsterdam vertoont dit jaar ‘een belangrijke teruggang’ (311.677 in 1924 tegen 347.205 in 1923) aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant. In 1924 verstrekt HvO in totaal 258.427 verpleegdagen, gemiddeld 708 per dag.

 

1925

Poort, HvO, 1925

Poort van het Oude Buitengasthuis van HvO.

In januari schrijft Honing voor HvO onder de titel ‘Noodkreet’ een ingezonden bedelbrief in De Tijd. ‘Ons magazijn is leeg . . . leeg, lezer! Begrijpt ge wat dat zeggen wil? – ruim honderd mannen in huis en elken dag nieuwe aanvragen voor opname en dan een leeg kledingmagazijn. Dat mag toch niet blijven zoo!’ Honing aarzelt niet zich direct tot de lezer te wensen: ‘Komt heeren, ziet Uw kleerkast eens na; ge vindt daarin zekers iets, wat ge best voor Onbehuisden kunt missen.’

‘Op het terrein van de Vereeniging Hulp voor Onbehuisden staat een aan de gemeente toebehoorende barak, bevattende negen woninkjes. B. en W. willen deze barak thans gebruiken om in spoedgevallen gezinnen, die zonder woning komen en aan welke om verschillende redenen niet dadelijk een woning in een der gewone blokken gemeentewoningen kan worden aangewezen, tijdelijk onder dak te brengen,’ meldt het Algemeen Handelsblad op 27 januari. Deze woningen moeten echter eerst voor ƒ1500 worden opgeknapt, wat het college van burgemeester en wethouders de gemeenteraad dan ook voorstelt.

‘Voor de Vereeniging Hulp voor Onbehuisden te Amsterdam werd woensdag te Houten geveild de buitenplaats Jeannetteoord, vroeger genaamd Oud-Wulven, met kapel en ouden toren. Ze werd verkocht aan diversen voor ƒ39.835. De ruim 700 zware boomen in het bosch en rond de buitenplaats staande, brachten Dinsdag in totaal ƒ30.430 op. De geheele opbrengst bedraagt dus ruim ƒ70.000,’ aldus De Tijd op 29 januari 1925. Ook De Telegraaf bericht hierover.
Het naastgelegen meisjeshuis Folmina blijft nog wel van Hulp voor Onbehuisden.

Kinderen maken zich op om te gaan eten in het Oud Buitengasthuis van HvO. Foto uit Het Leven, 1925

Kinderen maken zich op om te gaan eten in het Oud Buitengasthuis van HvO. Foto uit Het Leven, 1925

Tijdens de jaarvergadering van Misgab Lajeled (Toevlucht voor het kind) wordt besloten contact te zoeken met Hulp voor Onbehuisden ‘om na te gaan, of het mogelijk was in een harer inrichtingen een doorgangshuis voor Joodse kinderen op te richten,’ meldt het Nieuw Israelietisch weekblad op 3 april.
‘De Toevlucht voor Onbehuisden heeft bericht, gaarne bereid te zijn aan de wenschen der Vereniging inzake de gasthuiskinderen tegemoet te komen. Waar echter in de Toevlucht geen gelegenheid is en met de bouw van een afzonderlijke inrichting te veel kosten gepaard zouden gaan, kan er in de eerste jaren nog geen sprake van zijn, aldus het Nieuw Israelietisch weekblad op 15 mei.

De gemeente is druk doende een nieuw gebouw voor Hulp voor Onbehuisden te vinden. Er zijn immers serieuze plannen om het Wilhelmina Gasthuis uit te breiden en daarvoor zou het oude Pesthuis, ‘het “Gebouw van Jonker”, de toevlucht van onbehuisden,’ zoals Het Volk het nog altijd noemt, moeten wijken. De sloop blijkt echter nog niet direct plaats te vinden, want ‘gedurende de eerste tien jaren, aldus deelde men ons mede, zal van een afbreken van het groote, oude stevige “zwerverslogement”, geen sprake zijn,’ aldus het Algemeen Handelsblad.

Het Pesthuis gezien vanaf de Overtoom in de jaren 1652-1653, op een ets van Reinier Nooms (Stadsarchief).

Het Pesthuis gezien vanaf de Overtoom in de jaren 1652-1653, op een ets van Reinier Nooms (Stadsarchief).

De vereniging Hendrick de Keyser toont zich in mei toch bezorgd in sociaal-democratisch weekblad De Tribune over de plannen van de gemeente met het pand van Hulp voor Onbehuisden, dat immers is gevestigd in een voormalig pesthuis uit de zeventiende eeuw.
‘Het gebouw werd daarop een Toevlucht voor Onbehuisden, de goede stichting van nu wijlen den heer Jonker,’ aldus Henri Polak in het Algemeen Handelsblad en hij vervolgt ‘Het zou een schande zijn, als de vroedschap der stad zou besluiten tot het noodeloos vernietigen van een der weinige oude monumentale gebouwen, die zij rijk is.’ Het Algemeen Handelsblad besluit een historische beschrijving van het Pesthuis met de zin ‘moge het er nog even vele jaren staan, als het er tot heden heeft heeft zien voorbij gaan.’

Het Oude Buitegasthuis van HvO in De Telegraaf, 17 mei 1925

Het Oude Buitegasthuis van HvO in De Telegraaf, 17 mei 1925

Dr. C.C. Delprat, curator van de Gemeentelijke Universiteit, en dr. Jan Veth, strijder voor het behoud van monumenten, respectievelijk voor- en tegenstander van de sloop van het voormalige pesthuis, brengen half mei samen een bezoek aan Hulp voor Onbehuisden. ‘Of bij hun levendige, vriendschappelijke gedachtewisseling een van beiden er in geslaagd is, den tegenstander tot andere gedachten omtrent de beteekenis of de bruikbaarheid van het gebouw te brengen, werd ons niet bericht,’ aldus het Algemeen Handelsblad.
Het oude pesthuis heeft ‘ontegenzeggelijk in een zoo groote stad als Amsterdam onschatbare diensten bewezen en als het inderdaad tot een afbraak zou komen, zou men zeker op de eene of andere wijze moeten trachten een andere stichting voor onbehuisden te vinden,’ vindt de Leeuwarder courant.
Half mei lijkt het gevaar van sloop voorlopig te zijn afgewend. De Telegraaf plaatst vier foto’s van het Oud Buitengasthuis van HvO en haalt met instemming de schoonheidscommissie aan die het gebouw prijst ‘als een voortreffelijke staal van Oud-Hollandsche bouwkunst.’

Slaapzaal, HvO, 1925

Mannen liggen te slapen op slaapzaal van het Oud Buitengasthuis van HvO, 1925. Foto uit Het Leven.

In Het Volk verschijnt op 9 april een uitgebreid artikel over het nachtasiel van ‘de inrichting van Jonker – wij zullen dezen populair geworden naam maar blijven bezigen.’ De krant legt uit hoe de opvang voor de nacht in zijn werk gaat. ‘Die voor den eersten keer komt, krijgt voor hij in de eigenlijke slaapzaal toegelaten wordt, een bad. Hij moet al z’n plunje inleveren. Dat gaat dan in den ontsmettingsoven, waar het tevens van alle levende have wordt gezuiverd. De inrichting verschaft hem een flanellen nachthemd en pantoffels en aldus gekleed, verschijnt hij in de slaapzaal, waar ieder binnenkomende een warm maal wordt verstrekt. Alles is uiterst eenvoudig ingericht, maar kraakzindelijk.’
Als het andere warme voedsel dat bij HvO wordt verstrekt ‘dezelfde hoedanigheid en even smakelijk is, als de capucijners die wij er dien dag hebben gegeten, dan is er, op dit punt althans, geen reden tot klagen,’ aldus Het Volk.

Mannen aan de maaltijd in het Oud Buitengasthuis van Hulp voor Onbehuisden, 1925

Mannen aan de maaltijd in het Oud Buitengasthuis van Hulp voor Onbehuisden, 1925

Een week  later besteedt dezelfde krant aandacht aan de interne afdelingen van Hulp voor Onbehuisden. ‘Gaan de bezoekers van het nachtasyl, na korteren of langeren tijd over naar de interne afdeelïngen voor mannen, vrouwen en kinderen, dan worden ze daar te werk gesteld. Den mannen, die een vak kennen, wordt zoo mogelijk in het eigen vak arbeid gegeven. De losse arbeiders en de ongeschoolden worden in de afdeeling oud-papier ondergebracht. De vrouwen verrichten huishoudelijke bezigheden en de kinderen worden naar school gestuurd,’ aldus Het Volk.
‘De interne verpleegden zijn veel beter gehuisvest dan de bezoekers van het nachtasyl. Op de slaapzalen worden houten ledikanten gebruikt, afkomstig van het vroegere gasthuis, maar ook meer moderne ijzeren. Iedere verpleegde heeft een eigen kastje en mag zijn omgeving opsieren met portretten en dergelijke, wat vooral door de vrouwen op prijs gesteld bleek te worden. De ligging is hier beter: elk ledikant heeft drie dekens, zeegras-matrassen, helder witte lakens en kussensloopen worden verstrekt en men heeft eenvoudig waschgerei.
Voor zoover wij erover kunnen oordeelen – een man blijft in dit opzicht altijd een leek – kan de verzorging niet beter zijn,’ aldus Het Volk.

Mannen schillen aardappels in het Oud Buitengasthuis van Hulp voor Onbehuisden. Foto uit Het Leven, 1925

Mannen schillen aardappels in het Oud Buitengasthuis van Hulp voor Onbehuisden. Foto uit Het Leven, 1925

De Vereeniging voor Kinder- en Politierechtspraak zal tijdens de algemene ledenvergadering op 15 mei per autobus een bezoek brengen aan het Jongenslandbouwhuis te Appelscha van de Vereeniging Hulp voor Onbehuisden, aldus Het Vaderland.

Directeur Honing van HvO in De Telegraaf, 17 mei 1925

Directeur Honing van HvO in De Telegraaf, 17 mei 1925

Leendert Lankester, een voormalige kapitein van het Leger des Heils die eerder vijf jaar lang de leiding heeft gehad over de mannenafdeling van HvO in Amsterdam, is op dat moment de directeur van het tehuis in Appelscha. Zijn echtgenote, die ook bij de kolonie in Appelscha werkt, was vroeger leidster van het jongeliedenwerk bij het Leger des Heils in Groningen. Hoofddirecteur Honing is ook bij dit bezoek aanwezig.

‘Het ontspanningshuis is tegelijk met het eerste paviljoen gebouwd, van de andere paviljoens is echter niets gekomen, aangezien de regeering de plaats van het Jongenslandbouwhuis te afgelegen achtte om er regeeringskinderen te plaatsen. De bevolking van het eerste paviljoen is mede onder invloed hiervan beneden de verwachting gebleven,’ schrijft de Nieuwe Rotterdamsche Courant op 17 mei over dit bezoek. ‘De exploitatie van het huis is wegens de ontoereikende bevolking op het oogenblik te duur. De vereeniging overweegt dan ook er een andere bestemming aan te geven en de medewerking van de regeering daarvoor in te roepen.’

O.J. Cluysenaer, rechter in Assen, schrijft onder de titel ‘Fen Fryske groun’ in het oktobernummer van het HvO-blad een lovend artikel over het jongenshuis in Appelscha. Het echtpaar Lankester ‘vertelt ons met liefde van hun werk, hun huis – niet hun gesticht, want daarvan heeft het niets – hun jongens.’ ‘In dit huis behoort geen plaats onbezet te zijn,’ stelt Cluysenaer.
Kijk hier om dit artikel te lezen.
Het Leeuwarder Nieuwsblad neemt hier op 10 oktober grote delen uit over.

Het Vaderland haalt een artikel aan uit het tijdschrift van Hulp voor Onbehuisden waarin J. Klootsema wijst op ‘het gevaar van het verwaarloosde groote stadsmeisje, dat uit zich zelf nimmer zich zelf zal vinden in het vervlakte leven in de city, het omnibus-leven, een nieuw type is, waarmee bij den verderen uitbouw van het opvoedingswezen rekening moet worden gehouden.’

HvO in De Telegraaf, 17 mei 1925

HvO in De Telegraaf, 17 mei 1925

Honing woont op 4 juni in Assen de achttiende jaarvergadering bij van de Vereniging voor Armenzorg en Weldadigheid. Op de agenda staat onder meer het preadvies over het onderwerp ‘Maatschappelijke zorg voor psychisch invaliden’ van dr. P. Bierens de Haan, psychiater van de Heldring-gestichten in Zetten. Naar aanleiding van een van de stellingen hierbij zou Honing ‘haast de conclusie trekken dat ieder mensch in zekeren zin psychisch ziek is,’ aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Honing betoogt overigens ook ‘dat de landloopers en zwervers meer geholpen moeten worden.’
Dezelfde vereniging installeert later dit jaar een commissie ‘die tot taak heeft rapport uit te brengen omtrent de wijze, waarop tot het in het leven roepen van eene opleiding van degenen, die werkzaam zijn in reclasseering, gevangeniswezen en aanverwante takken van werkzaamheid, ware te komen, alsmede omtrent de vraag hoe deze zou behooren te worden ingericht,’ aldus de Gooi- en Eemlander.
Hulp voor Onbehuisden is hierin goed vertegenwoordigd, bestuurslid E. René van Ouwenaller is de voorzitter, directeur G. H. Honing is de secretaris.

Bestuursleden van de FIKA bezoeken in juni het Observatiehuis van HvO. De directeur van het Observatiehuis is de heer Van Raamsdonk. Honing wijst bij deze gelegenheid op de wenselijkheid om ook voor meisjes een observatiehuis beschikbaar te stellen, aldus Het Volk.

Kinderen, HvO, 1925

Kinderen van Hulp voor Onbehuisden aan de wandel in 1925. Foto uit Het Leven.

Op 10 augustus 1925 wordt het Gelderse Borculo en omgeving getroffen door een tornado. ‘Den morgen na de ramp te Borculo bood de hoofddirecteur der Vereeniging Hulp voor Onbehuisden te Amsterdam den burgemeester van Borculo telegrafisch hulp aan bij het onderdak brengen van kinderen, door drie der buitengestichten te Appelscha. Nunspeet en Houten voor dat doel beschikbaar te stellen, waarbij de mededeeling werd gevoegd, dat de hoofddirecteur zelf bereid was desgewenscht daartoe persoonlijk over te komen,’ meldt Het Vaderland. Hulp voor Onbehuisden zamelt in eigen kring ook geld in voor de slachtoffers. Dit levert ƒ187,42 op, ƒ73,02 van de verpleegden en ƒ114,40 van de medewerkers. Het is ontroerend om te zien ‘hoe ook de armsten der armen gaarne hun penning wilden bijdragen voor de door deze ramp getroffenen,’ aldus het tijdschrift van HvO.

Vakantiekamp van Hulp voor Onbehuisden in Appelscha, augustus 1925

Vakantiekamp van Hulp voor Onbehuisden in Appelscha, augustus 1925

Op 17 augustus vertrekt een groep kinderen en begeleiders van Hulp voor Onbehuisden voor een vakantie naar de eigen landbouwkolonie in het Friese Appelscha. ‘Een 15-tal goedkoope maar goede tenten werden aangeschaft en met 130 kinderen gaan we 4 weken lang heerlijk genieten van bosch en heide,’ schrijft Johan Steelink, hoofd van de onderafdeling voor jongens van het Oud Buitengasthuis in het HvO-blad.

B&W stellen de gemeenteraad in augustus voor om Hulp voor Onbehuisden ten hoogste ƒ 120.000 subsidie te verstrekken voor het komende jaar.

Bij Het Volk komen begin september klachten binnen – van een partijgenoot nog wel – over de reinheid in het nachtasiel van Hulp voor Onbehuisden. De krant ontzenuwt deze klachten gelukkig als ongemotiveerd en onwaar.

IJsclubterrein met Wilhelmina, 14 september 1925

IJsclubterrein met Wilhelmina, 14 september 1925

Ter gelegenheid van het 650-jarige bestaan Amsterdam bezoekt koningin Wilhelmina op 14 september onder meer het IJsclubterrein, waar kleine meisjes van het Stadsbestedelingenhuis en van Hulp voor Onbehuisden de koningin en prinses Juliana bloemen aanbieden, aldus het Algemeen Handelsblad.

Op de kinderpagina van het communistische weekblad De Tribune verschijnt hierop een niet mis te verstane reactie.

Klein proletariërskindje met je bleeke snuitje… Zoo vaal en wit, zoo arm aan bloed… Jij leed gebrek aan licht en zon en levensvreugde… En daarbij werd je dan nog slecht gevoed… jou legt geen moeder ‘s avonds in je warme bedje… Jij leeft veel slechter als prinsesjes hond! Die heeft een eigen nest en veel en krachtig eten… Terwijl jij in het huis voor onbehuisden, ‘n plaatsje vond… Jij hebt in heel die groote stad niets van je eigen… Geen plekje om te spelen, zelfs geen eigen bed! En toch heeft men jou, klein vertrapt proleetje… Voor hare majesteit één keer,, te pronk gezet… Jouw kleine hand werd afgericht tot bloemen geven… Aan ‘t vorstenkindje wier voet op rozen gaat… En toen je had dienst gedaan, werd jij weer neergesmeten… In ‘t hol voor onbehuisden, bij ‘t plebs der straat.

De najaarsvergadering van de vereniging voor kinder- en politierechters wordt gehouden in het Observatiehuis van Hulp voor Onbehuisden. ‘Tot besluit worden aan de aanzittenden door de jongens zelf vervaardigde souvenirs uitgereikt,’ weet Het Vaderland op 27 oktober.

Ziekenzaaltje, HvO, 1925

Zieken in bedden en ligstoelen op zolder in het Oud Buitengasthuis van HvO, 1925. Foto uit Het Leven.

In de jaren twintig speelt in de Amsterdamse gemeenteraad regelmatig de vraag wat er moet gebeuren met dakloze gezinnen. Bij de bespreking van de subsidie aan Hulp voor Onbehuisden tijdens de behandeling van de gemeentebegroting pleit het communistische raadslid Doornbusch opnieuw ‘voor de inrichting van een gemeentelijk gebouw, waarin de gemeente zelf deze taak van de Vereeniging zal uitoefenen,’ aldus Het Volk.

‘Nu er toch plannen zijn om dit gebouw aan zijn tegenwoordige bestemming te onttrekken, kan de gemeente radicaal gaan optreden door een nieuw, goed ingericht gebouw te doen neerzetten, en zelf dit werk in handen te nemen,’ zegt Doornbusch in De Tribune van 23 november.

Heel vaak moeten hier gezinnen een toevlucht zoeken, die door de huidige malaise, slachtoffers van deze kapitalistische wanorde, zonder werk en zonder woning zijn geraakt. De burgemeester durft deze menschen met den naam “zwervers” te betitelen. Dit vindt spr. voor een hoofd der gemeente, een standpunt beneden alle peil. Noemt ge die kinderen ook zwervers? Wel degelijk heeft hier de gemeente de taak, om een alleszins bevredigend tehuis aan deze menschen te verschaffen.

Baby's in kinderstoelen worden gevoed, Oud Buitengasthuis van HvO, foto uit Het Leven, 1925

Baby’s in kinderstoelen worden gevoed, Oud Buitengasthuis van HvO, foto uit Het Leven, 1925

Uit de publicatie van de Armenraad Financiële Statistiek betreffende het maatschappelijk hulpbetoon (1921 t/m 1923) citeert het Algemeen Handelsblad het volgende:
Van de instellingen noemen wij de Vereeniging Hulp voor Onbehuisden, voor welke het totaal bedrag der uitgaven in 1923 bijna ƒ 500.000 was, waarop echter ongeveer de helft werd terugontvangen, zoodat de netto uitgaven ƒ 222.000 waren. De overeenkomstige bedragen voor het Leger des Heils waren ƒ 99.500 (totaaluitgaven) en ƒ 15.000 (netto-uitgaven).

Handkar van HvO in de sneeuw, Algemeen Handelsblad, 1 december 1925

Handkar van Hulp voor Onbehuisden in de sneeuw, Algemeen Handelsblad, 1 december 1925

Onder de kop ‘Winterdag in Amsterdam’ plaatst het Algemeen Handelsblad begin december twee foto’s van de hoofdstad in de sneeuw naast elkaar. Een idyllisch wintertafereel aan de Groenburgwal en een handkar volgestapeld met lompen van HvO als keerzijde. ‘Grauw en groezelig is thans de sneeuw en de traag hun kar voortsleepende menschen van “Hulp voor Onbehuisden” krijgen slechts met moeite hun last door de vieze, gladde straten.’

Maar gelukkig is er in december ook wat vrolijkheid. ‘De kinderen uit de Amsterdamsche weeshuizen, uit de Toevlucht voor Onbehuisden, uit het Stadsbestedelingenhuis en dan nog drie per Amsterdamsche school, samen een flinke duizend, vulden Zaterdagmiddag den Stadsschouwburg,’ zo meldt Het Volk.
Het gaat om de sprookjesrevue ‘Jantje’s reis naar Speelgoedstad en Luilekkerland’ van Bets Ranucci-Beckman, onder meer met de acteurs Paul Huf en Frits van Dijk. De kostuums en decors zijn gemaakt door Rie Cramer.

Op 28 december is er volgens het Algemeen Handelsblad van 20:10 tot 20:20 uur vanuit Hilversum een toespraak op de radio te horen van de vereniging Hulp aan Onbehuisden.

In 1925 verstrekt Hulp voor Onbehuisden 251.226 nachtverblijven en verpleegdagen, dat is gemiddeld 688 mensen per dag.

 

1926

HvO in De Telegraaf, 7 februari 1925

Slaapzaal van HvO in De Telegraaf, 7 februari 1925

Op 7 februari sieren twee foto’s van Hulp voor Onbehuisden de voorpagina van de zondagseditie van De Telegraaf, een foto van een slaapzaal in het nachtasiel en een afbeelding van de papiersortering met het bijschrift ‘Van zwerver tot werker.’ Dit is een opmaat tot een artikel over HvO verderop in de krant. ‘Wij moeten den stroom erin houden,’ aldus Honing. ‘Wij moeten er voortdurend op bedacht blijven, hen van ons onafhankelijk te maken.’

HvO in DE Telegraaf, 7 februari 1925

Werkplaats van HvO in De Telegraaf, 7 februari 1925

De meeste mensen die voor korte of langere tijd onderdak vinden bij Hulp voor Onbehuisden in het nachtasiel ondergaan lijdelijk ‘alles wat “Jonker” hun aandoet,’ aldus De Telegraaf. ‘Het vreemde bad, waarvoor zij vaak nog even terugschrikken, maar dat een weldaad wordt, hen losweekend uit de ellende van den voorbijen dag. Zij geven hun plunje af voor de reiniging, aanvaarden de gestichtskleeding gelaaten. Het warme avondmaal uit de emaille nappen, uiterst sober, maar zorgvuldig toebereid, en door den directeur zelf gekeurd.’

Stolwerk, directeur van het mannentehuis van HvO, 1926

Stolwerk, directeur van het mannentehuis van HvO, 1926

‘Men heeft Jonker wel eens verweten, dat hij aan een oprichtingsmanie zou lijden,’ zegt Honing over zijn voorganger. ‘Maar men heeft zich daarbij vergist, het waren voor alles de omstandigheden, die leidden tot de groote vlucht, die Jonkers stichting heeft genomen, de omstandigheden dwongen Jonker en zonder die omstandigheden had hij zeker niet mogen, maar zeker ook niet kunnen doen, wat hij gedaan heeft.’

Bij het artikel plaatst De Telegraaf een vermeende foto van directeur Honing, maar De Tribune laat fijntjes weten dat het bij dit portret gaat om de heer Stolwerk, directeur van de mannenafdeling van HvO. De Tribune moet niet veel hebben van Hulp voor Onbehuisden, immers ‘Philantroptie is de eenige verzachting die de bourgeoisie kent voor de slachtoffers van het kapitalistisch stelsel.’ Volgens het weekblad gaat Honing menselijk met de verpleegden om, maar een aantal van zijn medewerkers niet. De Tribune geeft eind maart een weinig vleiend beeld van deze heer Stolwerk.

HvO, tekening, 1926

Armoede, tekening uit het tijdschrift van HvO in 1926.

Onder de kop ‘Toch het hart op de rechte plaats,’ meldt Hepkema’s Courant op 26 februari dat jeugdige bewoners van het Observatiehuis van HvO, ‘het kwajongenshuis, zooals het bij vele Amsterdammers bekend is,’ geld hebben ingezameld voor slachtoffers van de watersnoodramp, die deze winter in het zuiden van ons land ontstaat als de Maas op vele plaatsen buiten zijn oevers treedt.
‘Als men nu weet, dat deze knapen ‘n gezamenlijk bezit hebben van tien gulden, bijeengespaard van het geweldige loon van 2 en 3 cent per dag, dat ter aanmoediging van gedrag en vlijt wordt gegeven, dan meen ik te mogen zeggen, dat deze jongens het hart op de rechte plaats hebben.

Op 27 februari organiseert Hulp voor Onbehuisden een zogeheten poppenfeest voor de meisjes. Het Amsterdamse publiek wordt gevraagd om de kinderen een popje te geven en dat gebeurt in ruime mate. ‘Zo iets hadden de meisjes niet verwacht! Zoo’n verscheidenheid van werkelijk mooie poppen, dames, heeren, broers en zusters, groot en klein, waren aanwezig, ook waren verschillende rassen vertegenwoordigd,’ schrijft zuster N. van den Muyzenberg in het HvO-blad.

In het februarinummer van het tijdschrift van HvO schrijft adjunct-directeur G. Pieters van het Observatiehuis een aangrijpend verhaal over Keesie, een goeiige, wat onnozele en weinig onderlegde zestienjarige bewoner van dat tehuis, die moet voorkomen bij de rechtbank aan de Prinsengracht wegens diefstal.
Het advies van het Observatiehuis over Keesie luidt: ‘Zoolang deze stumperd niet meer kwaad doet en opgeborgen moet worden in een asyl voor de veiligheid der gemeenschap zou ik er niet aan denken; hij is m.i. voorloopig nog ’t best bij de ouders, die hem ook dolgraag thuis willen hebben. Ik zou zeggen voor ditmaal het nog eens met Kees thuis probeeren en hem met de strafrechterlijke berisping laten gaan.’
De rechtbank neemt dit advies over.

‘Er is landelijk behoefte aan een observatiehuis voor meisjes. Met name mr. G.T.J. de Jongh, kinderrechter te Amsterdam, en lid van de Commissie van Toezicht van het Observatiehuis van HvO, pleit hiervoor. Dat is er nog niet, maar ‘er bestaan wèl plannen. In Houten bij Utrecht bezit de vereeniging Hulp voor Onbehuisden een gesticht, dat zeer wel tot observatiehuis omgebouwd zou kunnen worden. Dat zou een ƒ 40,000 moeten kosten,’ aldus het Bataviaasch Nieuwsblad op 15 maart.

Als de winter komt, tekening uit HvO-blad, 1926

Als de winter komt, tekening uit het tijdschrift van HvO in 1926

Onder de titel ‘Nachtasyl’ publiceert De Tribune op 20 maart een lang protestgedicht dat geschreven heet te zijn door een anonieme zwerver. Enkele regels hieruit:

Hunk’rend naar de warme kachel,
Naar wat er te eten viel;
Haalt de kaart en strompelt langzaam
Naar het groote “Nachtasyl”
(…)
De blos.der schaamt’ komt op z’n wangen,
Wanneer ’t hemd wordt onderzocht;
Of ’t ongediert soms in de naden
’n Veilig plaatsje vinden mocht.
(…)
Dat Veenhuizen je nog niet heeft!
Maar dat Huis van Onbehuisden
Je nog ‘n onderkomen geeft!

Vakantiekamp van HvO in Nunspeet, 1926

Vakantiekamp van HvO in Nunspeet, 1926

In maart wordt in Amsterdam een federatie opgericht van verenigingen die zich bezig houden met het ontwikkelingswerk onder volwassenen. Mevrouw A. M. Koek-Mulder, lid van de gemeenteraad, en directeur Honing van HvO vormen het bestuur, zo meldt het Algemeen Handelsblad.

Honing is ook een van de sprekers op het eerste pedagogisch congres in Nederland dat van 8 tot 10 april in Amsterdam wordt gehouden, met een voordracht getiteld ‘Straf en opvoeding (in de praktijk)’ in de sectie Het crimineele en verwaarloosde kind.

Omslag van de goedkope editie van De vreedzame strijd, 1926

Omslag van de goedkope editie van De vreedzame strijd, 1926

Naast zijn werkzaamheden als hoofddirecteur van Hulp voor Onbehuisden vindt Honing de tijd om een boek te schrijven. Zijn werk De vreedzame strijd komt in 1926 uit bij Scheltema & Holkema’s Boekhandel te Amsterdam.
De vreedzame strijd, met als motto “Begreifst du aber, wie viel andächtig schwärmen leichter als gut handeln ist?” uit Nathan der Weise van Gotthold Ephraim Lessing, handelt uiteraard over zaken als armenzorg, kinderbescherming en maatschappelijk werk in het algemeen en het werk van Hulp voor Onbehuisden in het bijzonder. Honing tekent in dit boek zijn programma voor de komende jaren op.

Lees De vreedzame strijd van G.H. Honing in de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren.

Er verschijnt een recensie van Honings boek in de Nieuwe Rotterdamsche Courant:

Reclame voor De vreedzame strijd, 10 mei 1926, Algemeen Handelsblad

Reclame voor De vreedzame strijd, 10 mei 1926, Algemeen Handelsblad

Ook heeft hij getracht, te vermijden, dat zijn boek het karakter van reclame zou krijgen. Al zal het uiteraard propagandistisch van aard zijn, de schrijver heeft naar objectiviteit gestreefd en beproefd niet alleen belangstelling te wekken in den arbeid der door hem beheerde vereeniging, maar in het werk in het algemeen op het maatschappelijk terrein, waar de misdeelden hulp en steun behoeven. Doch ook voor den historicus is, – al maken wij hier geen tegenstelling, die de verdenking zou kunnen wekken als zou de historicus geen gevoelig hart hebben voor maatschappelijke nooden, – het boek van den heer Honing op zichzelf lezenswaard, daar het het juist ook ten opzichte van zijn liefdadigheidsinstellingen zoo belangwekkende oude Amsterdam telkens herleven doet.

In de rubriek ’Van de leestafel’ neemt Het Vaderland enkele smeuïge anekdoten over uit het boek van Honing. ’In de eerste plaats zal dit boek natuurlijk door de ”sociale werkers” met veel genoegen gelezen worden, maar ook zij, die er niet direct bij betrokken zijn, vinden er heel wat ”documents humains” in die hen in staat zullen stellen de maatschappij, waarin ze leven, beter te leeren kennen.’

‘Geen socialistisch propagandageschrift, dit lijvig gedocumenteerd boek, maar toch: hoe schreeuwt het, ongewild en voor wie goed luistert, naar een maatschappij, meedoogender en met méér erbarmen dan de onze,’ schrijft Het Volk over De vreedzame strijd.

Medewerkers van Hulp voor Onbehuisden, vakantiekamp Saxenheim, 1926

Medewerkers van Hulp voor Onbehuisden, vakantiekamp Saxenheim, 1926

Tekening HvO-blad 1926

Tekening HvO-blad 1926

Tijdens de zomervergadering van de Heldring-gestichten spreekt dr. J.H. Adriani, secretaris van de Armenraad in Utrecht, over De schaduwzijden der kinderzorg en hoe ze te vermijden. ‘Eenzijdigheid bij de toepassing der leuze, dat alléén op het kind gelet moet worden, voert op dwaalwegen en spr. uitte dan ook bedenking tegen de plaat in de laatste aflevering van het maandschrift “Hulp voor Onbehuisden,”’ aldus het Algemeen Handelsblad.
Het onderschrift bij die plaat roept Vrouwe Justitia juist op alleen het kind te zien.

In de begroting voor 1927 – ‘B. en W. ontveinzen zich niet dat het beeld der Begrooting is weinig opwekkend’ – heeft de gemeente Amsterdam ƒ 30.000 meer gereserveerd voor Hulp voor Onbehuisden dan gepland, meldt het Algemeen Handelsblad.
De subsidie komt daarmee op ƒ 150.000.

Kinderen van Hulp voor Onbehuisden, vakantiekamp Saxenheim, 1926

Kinderen van Hulp voor Onbehuisden, vakantiekamp Saxenheim, 1926

Op weg naar de Veluwe, 1926

Op weg naar de vakantie op de Veluwe, 1926

‘Van algemeene bekendheid en ook overal ten zeerste gewaardeerd, is het in onze stad en elders ondernomen nuttige, zegenrijke en veelomvattende werk van de Vereeniging “Hulp voor Onbehuisden,” schrijft De Telegraaf op 28 augustus. ‘Bijna geen stad- of landgenoot is er, of hij weet wel iets af van het mooie werk, nu zoo krachtdadig voortgezet onder de hoofdleiding van den heer G.H. Honing.’

Volgens De Telegraaf is de extra subsidie voor HvO niet meer dan een bestendiging van de toestand van de laatste tijd, de vereniging komt immers al jaren geld tekort. Hulp voor Onbehuisden leed namelijk ‘een tekort van ƒ 19,024.58 in 1924 en ƒ 64,104.84 in 1925,’ aldus het Algemeen Handelsblad. HvO krijgt daarom over 1924, 1925 en 1926 alsnog ƒ 113.129,42 subsidie nabetaald, zo weet De Telegraaf.

Leerlingen uit de hoogste klas van de Soziale Frauenschule Zürich maken eind september een studiereis naar Nederland, waarbij ze ook Hulp voor Onbehuisden bezoeken, meldt de Gooi- en Eemlander.

Mejuffrouw C. S. van Ouwenaller spreekt op 5 oktober namens Hulp voor Onbehuisden op een bijeenkomst van de Joodse Vrouwenraad in Amsterdam. ’Zij zeide,’ aldus het Nieuw Israelietisch weekblad, ’dat het aantal der Joodsche gevallen weliswaar gering was, maar dat zij deze, door de moeilijkheden (die op kleine plaatsen bijna onoverkomelijk zijn) om godsdienstonderwijs te verkrijgen en kosjer eten te verschaffen, liever in een Joodse inrichting zag geplaatst.’

Tentenkamp Saxenheim van Hulp voor Onbehuisden, 1926

Tentenkamp Saxenheim van Hulp voor Onbehuisden, 1926

De Glindhorst-kwestie, tekening HVO-blad 1926

De Glindhorst-kwestie, tekening HVO-blad 1926

Honing is in oktober getuige in een geruchtmakende rechtszaak tegen dominee Vogelaar van De Glindhorst wegens mishandeling, een instelling voor jeugdzorg in Barneveld, een voorloper van de Rudolphstichting. Honing verklaart voor de rechtbank niets te hebben bespeurd van misstanden.
Honing zegt bij deze gelegenheid wel  ‘dat hij zelf wel eens jongens van 20 jaar, die onhandelbaar waren, midden in den winter in onverwarmde cellen opgesloten heeft, aangezien hem geen ander middel ten dienste stond. Het is, zeide getuige desgevraagd verder, verboden, dat geslagen wordt in de gestichten, maar hij zou niet durven zeggen dat het niet gebeurt,’ aldus het Algemeen Handelsblad op 22 oktober.

In november komt Honing op deze kwestie terug in het tijdschrift van Hulp voor Onbehuisden. Honing is van mening ‘dat in elk gesticht lichamelijke kastijding niet moet worden gebruikt tenzij uit zelfverdediging tegenover agressieve handelingen van verpleegden, die inderdaad ook in het beste gesticht tegenover leden van het personeel soms voorkomen. In de onder mijne hoofddirectie ressorteerende gestichten is dan ook lichamelijke kastijding verboden.’

Kinderen van HvO bezoeken Elburg, 1926

Kinderen van HvO bezoeken Elburg, 1926

De heer C.E.G Hogendijk, commissaris van de Amsterdamse kinderpolitie, schrijft in het oktobernummer van het tijdschrift van Hulp voor Onbehuisden dat in het afgelopen jaar 177 gevallen van verwaarlozing van kinderen aan het licht zijn gekomen. Het gaat daarbij om 445 kinderen. Dagblad De Tijd neemt een groot deel van dit artikel over.
’Velen hunner zal men vroeg of laat aan kunnen treffen in het leger van misdadigers of dat van prostituees,’ waarschuwt de commissaris. Door niets aan dit probleem te doen is de maatschappij uiteindelijk duurder uit volgens Hogendijk. ’Een verwaarloosd kind zal, om nu maar bij den materieelen kant te blijven, omdat deze het meest in het oog springt, van de gemeenschap later allicht veel grootere geldelijke offers vergen aan straf- en reclasseeringsmaatregelen dan nu aan opvoedingsmaatregelen.’

Hulp voor Onbehuisde ziet de zorg voor misdeelde kinderen in 1926 achteruit gaan.

Hulp voor Onbehuisde ziet de zorg voor misdeelde kinderen in 1926 achteruit gaan.

Het Observatiehuis aan de Vosmaerstraat zorgt in 1926 andermaal voor moeilijkheden. Aan het eind van het jaar wordt bekend dat een medewerker onzedelijke handelingen heeft gepleegd met enkele opgenomen jongens. De medewerker wordt ontslagen, de standaardprocedure in een dergelijk geval. Maar de kous is daarmee niet af.
In overleg met de politie en de leiding van het Observatiehuis besluit Honing tot enkele wijzigingen in de organisatie van het tehuis. Tijdens het politieonderzoek rijzen er bovendien verdenkingen tegen andere personeelsleden en men besluit voorlopig geen nieuwe jongens op te nemen en de reeds aanwezige pupillen voorlopig elders te plaatsen.

Tekening, HvO, 1926

Komt herwaarts tot ons, allen die vermoeid en belast zijt, tekening van Henk Meyer uit het tijdschrift van HvO in 1926.

Zusters, vakantiekamp van HvO, 1926

Zusters, vakantiekamp van HvO, 1926

Hiervoor is de medewerking nodig van het departement van Justitie en de toenmalige minister van Justitie, J. Donner, wordt per brief ingelicht. De minister is ontsteld over de gebeurtenissen en nog meer ontsteld over het feit dat men hem zo laat heeft geïnformeerd en sluit het Observatiehuis.
De bestuursleden Mendes da Costa en Van Ouwenaller reizen af naar Den Haag om de minister duidelijk te maken dat Hulp voor Onbehuisden geen blaam treft en dat sluiting van het Observatiehuis een al te drastische maatregel is. De missie van het bestuur heeft succes. De zaak loopt met een sisser af en voorjaar 1927 gaat het Observatiehuis weer open.

Tekening, HvO, 1926

Afgrond, tekening uit het tijdschrift van HvO in 1926.

In 1926 krijgt de ophaaldienst van het Manneninternaat van HvO zijn eerste auto. De mannen van de ophaaldienst klagen al sinds jaren over de zware en moeilijk te hanteren papierkarren. Het bestuur wikt en weegt lang over de aanschaf van een auto, met als belangrijkste struikelblok de beeldvorming in de publieke opinie. Een auto zou men wel eens als weelde kunnen zien, een imago dat een liefdadigheidsvereniging, die voortdurend om donaties van de Amsterdamse burgerij vraagt, slecht past.

Maandelijks komt nu het blad van HvO uit dat inmiddels weer ‘Hulp voor Onbehuisden’ heet, met als ondertitel ‘maandblad gewijd aan de bescherming van kinderen, vrouwen, zwervers, ontwrichte gezinnen en gedeclasseerden.’ Bovendien werden er weer sporadisch illustraties opgenomen in het tijdschrift, want HvO vond ‘den heer Henk Meyer, kunstschilder te ‘s-Gravenhage, bereid zijn teekenstift in dienst van ons orgaan te stellen.’

Moeder: Edelachtbare, ik weet heusch niet meer, wat ik met haar moet beginnen. Rechter: Ja, dat is ook heel moeilijk, als er nu, evenals voor jongens, ook een Observatiehuis was voor meisjes... Tekening van Henk Meijer in het HvO-blad, oktober 1926

Moeder: Edelachtbare, ik weet heusch niet meer, wat ik met haar moet beginnen.
Rechter: Ja, dat is ook heel moeilijk, als er nu, evenals voor jongens, ook een Observatiehuis was voor meisjes…
Tekening van Henk Meyer in het HvO-blad, oktober 1926

Op de website ‘Verhalen van vroeger’ herinnert mevrouw De Waard-Menses zich dat ze in 1926 in het Oud-Buitengasthuis woonde, ‘bij Jonker’ zoals dat dan in de volksmond nog altijd heet, ook al is Jonker zelf inmiddels reeds vier jaar overleden.
Kijk hier om haar verhaal te lezen.

HvO, vakantiekamp, 1926

De kinderen van HvO met vakantie in 1926, hier in het lokaaltje van Nunspeet naar Elburg.

In november neemt zuster Roorda na twintig jaar afscheid van Hulp voor Onbehuisden. Zij was onder meer leidster van de zogeheten binnenschool van de vereniging, die werd opgericht in het kader van de uitvoering van de Kinderwetten. Aanvankelijk kon er volgens HvO bij kinderen tijdens de ontzettingsprocedure uit vrees voor ontvluchting geen sprake zijn van schoolbezoek en daarom had men een eigen school gesticht. Later werkt zij bij het Herstellingsoord van HvO in Nunspeet en bij het Folmina-paviljoen in Houten, waar zij het gesticht tot een tehuis weet te maken, volgens het tijdschrift van HvO en waar de meisjes haar niet als directrice beschouwen, maar ‘veeleer als de moeder van een groot gezin.

Een zwerver wordt aangehouden nadat hij met een steen de ruit van juwelier Hoeting aan het Koningsplein heeft ingeslagen. ‘De laatste tijd logeerde hij in het Toevlucht voor Onbehuisden,’ aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant.

Vakantiekamp van HvO, 1926

Vakantiekamp van HvO, 1926

Mandolineclub L’Estudiantina geeft op 24 november in Artis een concert ten bate van de vrouwen en kinderen van Hulp voor Onbehuisden, weet De Tijd. ’De dichter-zanger Meijer Hamel, een jazzband en de buikspreker Brandini droegen het hunne bij tot het slagen van den avond,’ aldus Het Volk.

Een van de bewoners van Hulp voor Onbehuisden in november 1926 is de tweejarige Reina Segal, de jongste van zeven kinderen, die kort na haar geboorte haar moeder heeft verloren. Zij wordt in 1943 door de Duitsers vermoord in Sobibor.

In het blad van Hulp van Onbehuisden verschijnen teksten van levensliederen (bijvoorbeeld Met z’n sigaar, Volksbuurt, Het gerafelde boordje, en Kaarslicht) van de hand van schrijfster/componiste Manna de Wijs-Mouton (1872-1947), die ook werk levert aan bijvoorbeeld het cabaret van Jean-Louis Pisuisse.

Gaat ons niet voorbij, tekening in het HvO-blad, 1926

Gaat ons niet voorbij, wij kunnen niet zonder uw hulp. tekening in het HvO-blad, 1926

Honing woont op 9 december de opening bij van een nieuw pand aan de Plantage Middenlaan 27 in Amsterdam van de St. Hubertusvereniging voor ongehuwde moeders en hun kinderen. René van Ouwenaller, bestuurslid van Hulp voor Onbehuisden, spreekt bij deze gelegenheid in zijn hoedanigheid als voorzitter van de Unie van Vereenigingen voor Ongehuwde Moeders (UVOM).

‘Onze stad werkt als een zuigpomp op de plaatsen en streken, minder van sociale voorzorg voorzien,’ meldt het Algemeen Handelsblad op 15 december. De krant beroept zich daarbij op het tijdschrift van Hulp van Onbehuisden, ’waarin staat dat in de nachtasylen het aantal mannen dat onderdak verlangt en hier niet thuis hooren, toeneemt. Zoo waren er van de 128 mannen op een nacht in October j.l. onderdak gebracht, 56 die hier niet geboren en hier ook geen ingezetenen waren.’

1926-vakantiekamp-kleintjes

De kleintjes, vakantiekamp HvO, 1926

‘De dakloozen, die zich bij het Toevlucht voor Onbehuisden aanmelden, bestaan voor een groot percentage uit niet-Amsterdammers. Is dat een gezonde toestand?’ vragen de raadsleden Ophorst en Abrahams, aldus het Algemeen Handelsblad van 16 december.

Als onderdeel van de gemeentebegroting stellen Burgemeester en Wethouders de gemeenteraad voor ‘om aan de Vereeniging Hulp voor Onbehuisden voor het jaar 1927 een subsidie toe te kennen van ten hoogste ƒ 150.000,’ aldus het Algemeen Handelsblad. De begroting wordt met 27 tegen 9 stemmen goedgekeurd. Onder meer de communisten stemmen tegen, zij zien liever dat alle armenzorg door de gemeente wordt geleverd.

Illustratie bij het kerstverhaal van Dostojevski, HvO-blad 1926

In het decembernummer van het tijdschrift van Hulp voor Onbehuisden staat Het knaapje bij den kerstboom van Christus, een kerstverhaal van Fjodor Dostojevski, vrij vertaald uit het Russisch door H.L. van Oordt, dat minstens zo gevoelig is als Het meisje met de zwavelstokjes.
Het gaat over een arm, verkleumd en hongerige zesjarig jongentje uit Petersburg. Hij zwerft door de stad, staat hier en daar stil bij feestelijk opgetuigde kerstbomen, maar hij wordt overal weggestuurd. Als hij zich ‘s avonds moe en verstoten op een takkenbos te ruste legt, krijgt hij een visioen. Niet alleen hoort hij de lieflijke stem van zijn moeder, hij ziet een denneboom mooier dan hij ooit heeft aanschouwd. Dit is de kerstboom van Christus ‘voor de kinderen die op aarde geen kerstboom hadden en die op aarde geen vreugde hebben gesmaakt.’ De volgende morgen vindt men ‘een onbekend knaapje, in eenzaamheid gestorven van koude, honger en gebrek.’

Kijk hier om dit kerstverhaal te lezen.

Kinderen van HvO wandelen in het Vondelpark, 1926

Kinderen van HvO wandelen in het Vondelpark, 1926

J.C. Gestman van de mannenafdeling  vertelt in december in het HvO-blad over een bewoner die graag weer op eigen benen wil staan en vraagt of de directeur misschien een baantje voor hem heeft. ‘Ik ben 22 jaar bakker geweest bij één patroon, meneer. Hier hebt u het getuigschrift; ik heb zelf ontslag genomen.’ Dat blijkt te zijn gebeurd nadat zijn vrouw hem heeft verlaten. Gestman gelooft in deze man en roept de lezers op zich met een vacature voor een eenvoudige betrekking te melden. Hij wil met dit verhaal duidelijk maken dat er ‘onder dat groote dak van het Oud-Buitengasthuis zoveel menschen vertoeven van geheel gelijke beweging als u en ik.’ Want de gewezen bakker is geen zondaar, maar iemand die niet sterk was toen huiselijk leed hem trof. Volgens Gestman is de beste filantroop ‘hij, die de hulpbehoevende kracht tot voortgaan en stijgen weet te geven door juist geboden hulp op het goede moment.’

Kinderen van HvO wandelen in he Vondelpark, 1926

Kinderen van HvO wandelen in he Vondelpark, 1926

Sindsdien wijdt Hulp voor Onbehuisden onder de noemer ‘arbeid adelt’ een tijd lang een pagina in het eigen tijdschrift waarin men poogt voor de mensen die bij HvO verblijven een betrekking te vinden.
Bekijk een voorbeeld van zo’n advertentiepagina uit december 1926.

Op 23 december schrijft A. Heldring onder zijn pseudoniem Ego in het Algemeen Handelsblad over onbehuisden en de kerstgedachte, want ‘wie zou niet gaarne in deze dagen nu het voorrecht der huiselijkheid dubbel wordt gevoeld, iets bijdragen voor hun toevlucht.’

In 1926 verstrekt Hulp voor Onbehuisden 249.972 nachtverblijven en verpleegdagen, dat is gemiddeld 685 mensen per dag.

 

1927

Oud Buitengasthuis, HvO, 1927

Koninginnedag bij Hulp voor Onbehuisden in 1927.

Verhongerd, tekening van H. Meijer in het HvO-blad, 1927

Verhongerd, tekening van H. Meijer in het HvO-blad, 1927

Eind januari treft de politie in Roosendaal een zwerver aan op straat die dusdanig is uitgeput en verhongerd dat hij enkele uren later aan de gevolgen hiervan overlijdt. Deze zaak wekt enige nationale beroering. De Telegraaf haalt in de berichtgeving hierover het tijdschrift van Hulp voor Onbehuisden aan, dat met een artikel en een tekening uiteraard ook aandacht besteedt aan deze zaak:

Die arme uitgehongerde kerel heeft misschien bergen van eigen schuld op zich geladen, maar hij bleef een mensch en een broeder van ons. Waar blijven ze toch die menschen? Die cirkelgangers door het leven, die dure commensalen van de samenleving? Bij verplegingsinrichtingen kloppen ze vaak te vergeefs aan, omdat ze soms reeds te ver heen zijn. of omdat er voor hen niet kan worden betaald en de gratis gevallen niet kunnen worden vermeerderd. Een veel krachtiger steun van deze inrichtingen, ware ten zeerste in het belang der samenleving.

Op 24 februari ontleent De Telegraaf cijfers  aan het driemaandelijkse rapport van het Gemeentelijk Bureau voor de Statistiek: ‘Het getal nachtverblijven bij Hulp voor onbehuisden en het Leger des Heils was 79.106 (4e kwart. ’25: 77.S16).’

In februari hebben de jongens van het Observatiehuis van enkele weldoeners een radio gekregen en zijn daar volgens adjunct-directeur G. Pieters buitengewoon enthousiast over. ‘Ach, toe meneer, laat hem nog eens spelen.’ Pieters gaat in zijn stukje in het HvO-blad in op de retorische vraag of zulke jongens wel een radio nodig hebben en geeft uiteraard zelf het antwoord: ‘Ze hebben alles noodig, wat hun geestelijke verheffing kan bevorderen.’

De vluchthaven der zwervers. luidt het onderschrift bij deze foto in het HvO-blad in 1927

Voor de rechtbank verschijnt begin maart een 27-jarige gewezen bediende op een effectenkantoor annex varensgezel wegens diefstal en heling. ‘Toen ook het geld, dat nog in zijn bezit was, verteerd was, restte hem geen ander redmiddel dan de Toevlucht voor Onbehuisden,’ aldus het Algemeen Handelsblad op 2 maart. ‘Hij had echter meer noodig dan het gezegende huis van wijlen Jonker hem kon geven,’ volgens De Tijd.
Het Openbaar Ministerie eist zes maanden gevangenisstraf plus ‘de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende den proeftijd van drie jaren zal blijven stellen onder toezicht van de Vereeniging Hulp voor Onbehuisden.’

Het Leeuwarder nieuwsblad doet op 14 maart verslag van een kunstavond van rederijkerskamer Aurora met de toneelspeler Johan Schmidt. ‘Op talentvolle wijze wist de acteur de uiteenloopende karakters te vertolken van een aantal typen uit de toevlucht v. onbehuisden.’

Kleine kinderen en zusters op zaal, foto uit het HvO-blad van 1927

Kleine kinderen en zusters op zaal, foto uit het HvO-blad van 1927 met bijbelteksten als bijschrift

Op 5 en 6 april is in de Hollandsche Manége aan de Vondelstraat in Amsterdam de gebruikelijke, laatste uitvoering van het winterseizoen, inclusief een optreden van de gevierde conferencier Jean-Louis Pisuisse. De opbrengst is deels ten bate van Hulp voor Onbehuisden, zo meldt De Tijd.

Het jaarverslag van de vereniging Misgab Lajeled (toevlucht voor het kind) maakt in april ‘dankbaar melding van de medewerking van de Vereen. Hulp voor onbehuisden,’ aldus het Algemeen Handelsblad.

De Nieuwe Rotterdamsche Courant doet op 19 mei verslag van een koninklijk bezoek aan de hoofdstad, inclusief een rijtoer. ‘In de Bosboom Toussaintstraat stonden langs het trottoir de kinderen van Hulp voor onbehuisden met hunne verzorgsters gerijd.’

Zomervakantie 1927, de meisjs van Hulp voor Onbehuisden in het zand van de Veluwe

Zomervakantie 1927, de meisjs van Hulp voor Onbehuisden in het zand van de Veluwe

Onder de kop ‘De ellende der groote stad, gemiddeld 618 dakloozen per dag’ haalt het socialistische dagblad Het Volk op 25 juni het maandblad van Hulp voor Onbehuisden aan. ‘In deze koude cijfers zit, naast een felle aanklacht, een zee van ellende. Ze demonstreeren beter dan ellenlange betoogen de onhoudbaarheid der huidige maatschappelijke inrichting,’ aldus deze krant.

Tekening van Henk Meyer, gebaseerd op een ballade van Theodor Fontane

Tekening van Henk Meyer in het tijdschrift van HvO, gebaseerd op een ballade van Theodor Fontane

Het tijdschrift van Hulp voor Onbehuisden gaat uit van een geletterd lezerspubliek. Zo is de tekening uit de editie van juni 1927 een vernuftige toespeling op de ballade ‘Archibald Douglas’ van de Duitse schrijver Theodor Fontane. Hier spreekt koning Jacob van Schotland, die staat voor de theorie, tot de banneling Archibald Douglas, zinnebeeld voor de praktijk: ‘Ich seh’ dich nicht Graf Archibald, ich hör deine Stimme nicht… Ich seh’ dich nicht, ich hör dich nicht, das ist alles was ich kann.’ De aanleiding hiervoor vormt het gesteggel in het land over gezinsvoogdij en de plaatsing van onder toezicht gestelde minderjarigen in instellingen, waarbij met name de kinderrechters (praktijk)  in de grote steden in alle toonaarden klagen en de regering (theorie) zwijgt.

Vakantie 1927, alle jongens na de oliebollenfuif

Vakantie 1927, alle jongens na de oliebollenfuif

Hulp voor Onbehuisden gaat in juli 1927 onder de titel ‘Over rooken en nog wat’ in op een beschouwing van dominee H.J.C. Pierson in het Tijdschrift voor het Armwezen, waarin deze pleit voor een rookverbod voor pupillen en andere gestichtskinderen, met als voornaamste argument dat het dan wel geen gevangenen zijn, maar dat deze kinderen wel worden onderhouden van publiek geld. Met name de redenatie ‘dan wel geen gevangenen, maar toch’ schiet de redactie van het HvO-blad danig in het verkeerde keelgat. Men benadrukt dat deze kinderen vooral slachtoffers zijn, en bovedien, ‘Zou iemand nu meenen, dat een kind dat wordt “onderhouden door gelden, die grootendeels uit philantropische bron zijn voortgevloeid” andere lichamelijke en geestelijke behoeften heft dan een ander kind?’ HvO pleit nadrukkelijk niet voor luxe verwennerij, maar wel voor de fundamentele vrijheid om ook pupillen een genotmiddel toe te staan dat ‘onschuldig word geacht.’

Van schadelijke gevolgen voor de gezondheid is in deze hele discussie nog geen spoor te vinden. Hierop komt dan ook in het volgende nummer een ingezonden brief van een arts die betoogt dat roken weliswaar volwassenen niet merkbaar schaadt, maar dat het voor kinderen echt vergif is.

Vakantiekamp van HvO, 1927, eten klaarmaken

Vakantiekamp van HvO, 1927, eten klaarmaken

Uit de jaarvergadering van de katholieke vereniging voor maatschappelijk werk blijkt dat men van de 161 kinderen die wegens ziekte van hun moeder elders worden ondergebracht er 18 plaatst bij Hulp voor Onbehuisden, zo weet De Tijd.

Burgemeester en wethouders stellen de gemeenteraad voor aan de vereniging Hulp voor Onbehuisden voor het jaar 1928 een subsidie toe te kennen van ten hoogste ƒ 150.000, meldt de Nieuwe Rotterdamsche Courant op 17 september.

De veldkeuken van het vakantiekamp van HvO in 1927

De veldkeuken van het vakantiekamp van HvO in 1927

De vroolijke keuken, vakantiekamp HvO, 1927

De vroolijke keuken, vakantiekamp HvO, 1927

Op 7 oktober wordt in het gebouw Heystee Smit een tentoonstelling geopend onder de titel ‘Het spel van het kind,’ georganiseerd door de afdeling Amsterdam van de vereniging Kinderverzorging en -Opvoeding. ‘Uit naam der afd. Amsterdam heette de heer Honing, directeur van de Toevlucht voor Onbehuisden, de aanwezigen welkom,’ aldus de Nieuwe Rotterdamse Courant.
Honing wijst op ‘op het verschil in inzicht betreffende het spel van het kind. Vroeger beschouwde men het spel slechts als ontspanning, tegenwoordig ziet men hoe het een paedagogischse noodzakelijkheid, een innerlijke levensbehoefte is.’

Vakantie 1927, zaal 1 + 2

Vakantie 1927, zaal 1 + 2

Directeur Honing verklaart in het Leeuwarder nieuwsblad van 28 oktober dat Hulp voor Onbehuisden met de winter voor de deur in zorgen verkeert en vraagt het publiek om steun. Honing legt uit waarom zijn vereniging steun verdient. ‘Het principe is: help waar noodig en help dan rechtstreeks, practisch en doeltreffend. Bij voorkeur, wanneer er voor de betrokkenen elders haast geen hulp te vinden is.’
Hij spoort lezers aan HvO zo spoedig mogelijk te steunen, want ‘De weldaad van heden geeft U morgen nog voldoening!’

Vakantie 1927, zaal 3

Vakantie 1927, zaal 3

Een boekhouder die voor de rechter staat wegens verduistering is volgens De Tijd buitengewoon gemeen, doortrapt en sluw. De krant levert ook het bewijs voor dit schandelijke gedrag van de accountant, want ‘hij heeft alleen aan zichzelf gedacht, terwijl hij zijn vrouw met acht kinderen in Hulp voor Onbehuisden te Amsterdam liet doorbrengen, heeft hij genoeglijke dagen, naar vermoed wordt, met een andere vrouw, in Groningen doorgemaakt.’

In het Leeuwarder nieuwsblad verschijnt op 24 november een wat melancholieke beschouwing over het leven aan de onderkant van de samenleving in Amsterdam. Een politieagent komt op straat een dakloze tegen.
‘Zoo. Nou kijk eens,’ de politieman heeft iets op ’n papiertje gezet, ‘dan ga je morgen naar dit adres, hulp voor onbehuisden, en in ieder geval meld je je morgen vóór den avond aan een bureau om een kaart voor Jonker. Zoo kun je toch ook niet blijven zwerven? Nou, daar weten ze je wel verder in te lichten.’

Koninginnedag bij HvO op de plaats, Oud Buitengasthuis, 1927

Koninginnedag bij HvO op de plaats, Oud Buitengasthuis, 1927

C.W. Janssen

C.W. Janssen

Eind 1927 verliest Hulp voor Onbehuisden enkele (voormalige) bestuursleden. J.F.L. Blankenberg, een van de oprichters van HvO en de eerste voorzitter van de vereniging, overlijdt op 6 december in Parijs.
Op 14 december overlijdt dr. C.W. Janssen, ook een van de oprichters van HvO, op 67-jarige leeftijd. Janssen is bovendien een belangrijke geldschieter van Hulp voor Onbehuisden. C.W. Janssen, evenals zijn vader rijk geworden in de tabak, heeft zeer veel gedaan voor de stad Amsterdam, aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant, vooral op sociaal gebied, ‘als bestuurslid van de school voor maatschappelijk werk, van instellingen als Ons Huis, Hulp voor Onbehuisden, van de volkswoningbouwvereeniging heeft hij tal van sociale misstanden helpen verbeteren.’

Op 19 december neemt Hulp voor Onbehuisden afscheid van de heer Pieters, adjunct-directeur van het Observatiehuis, die met pensioen gaat en die volgens bestuursvoorzitter Mendes da Costa in De Telegraaf altijd ‘zoo zeer in het belang van de jongens heeft gewerkt.’ Na de afscheidsrede worden F.R. Numan en P.C. Faber geïnstalleerd als respectievelijk directeur en adjunct-directeur van het Observatiehuis.

Tekening, HvO, 1927

Cliché welwillend afgestaan door dagblad De Telegraaf, meldt het huisorgaan in 1927 bij deze tekening van Jo Spier, getiteld Kerstmis bij Hulp voor Onbehuisden.

Op eerste kerstdag zinkt een wrak woonscheepje van twee hulpbehoevende oude mensen in de Nieuwe Achtergracht. ‘De Geneeskundige Dienst heeft zich over de oudjes ontfermd en hen naar Hulp voor onbehuisden gebracht,’ meldt het Algemeen Handelsblad.

Bij de bespreking van de begroting stelt het communistische raadslid H. van Zelm-van den Berg dat er wel eens een onderzoek mag worden ingesteld naar het Pesthuis bij Jonker ‘terecht met dien naam betiteld’, want het is er een Janboel, aldus De Tribune.

Koninginnedag bij HvO, 1927

Koninginnedag bij HvO, 1927

‘Het Pesthuis te Amsterdam zal binnenkort worden afgebroken. Op de plaats er van zullen nieuwe gebouwen van het Academisch Ziekenhuis verrijzen, en de Toevlucht voor Onbehuisden (waaraan blijvend de naam van het echtpaar Jonker verbonden is) zal moeten worden verplaatst,’ aldus Het Vaderland op 28 december.
B. en W. voelen het meest voor een verhuizing van HvO naar het Armenhuis, een zeventiende eeuws pand aan de Roetersstraat, waar thans het Dr. Sarphatihuis is gevestigd. De afbraak laat overigens nog enige jaren op zich wachten en Hulp voor Onbehuisden vestigt zich nooit aan de Roetersstraat.

Eind december is het winters weer in ons land. ‘Felle kou beteekent huiveringwekkende ellende voor wie in lompen gehuld, hongerig en geldloos, geen ander tehuis hebben dan de straat of den weg. “Hotel de Open Lucht” mist thans alle comfort! En de nachtasyls van Hulp voor Onbehuisden zijn nu elken avond dicht bezet. Van overal trekken zij de dakloozen aan, zooals de magneet het ijzer aantrekt,’ schrijft directeur G.H. Honing in Het Vaderland van 31 december in een bede om hulp.
Hulp voor Onbehuisden is niet overigens eenkennig en plaatst deze oproep ook in het Algemeen Handelsblad, het Leeuwarder nieuwsblad, de Nieuwe Rotterdamsche Courant en De Tijd.

In 1927 verstrekt Hulp voor Onbehuisden 229.578 nachtverblijven en verpleegdagen, gemiddeld 629 per dag.

 

1928

Oud Buitengasthuis, HvO, 1928

Viermaal het Oude Buitengasthuis van HvO in de sneeuw, 1928.

Op 6 januari heeft De Telegraaf ‘nog eens geïnformeerd hoe het met de verplaatsing van de “inrichting van Jonker” staat. Het bestuur van het Toevlucht zal, wanneer de inrichting naar het Armenhuis wordt verplaatst, wat ruimte en inrichting er op vooruitgaan, daar het Oude Buitengasthuis vele gebreken vertoont. Echter zal het Armenhuis verbouwd  moeten worden, waarmee een belangrijk bedrag gemoeid is. Bovendien moet voor de verpleegden aldaar elders onderdak gezocht worden, n.l. in het nog te bouwen Oudeliedenhuis te Sloten. Een en ander zal ten gevolge hebben, dat dit jaar het Toevlucht nog wel op zijn oude plaats zal blijven. Maar men zit er op den “schopstoel” en leeft er in afwachting van de komende gebeurtenissen…’

Het Pesthuis in 1928, foto uit Het Leven

Het Pesthuis in 1928, foto uit Het Leven

De wethouders van Maatschappelijke steun en Publieke Werken van de gemeente onderzoeken of het mogelijk is om het Stedelijk Armenhuis of een deel van de Marinewerf te verbouwen ten behoeve van Hulp voor Onbehuisden. HvO waardeert het marinecomplex vanwege de ruimte, maar acht de omgeving minder geschikt voor zijn bewoners. Men vindt de ligging van het Armenhuis beter passen bij de doelgroep, maar dit voldoet als pand minder.
De voorkeur van de vereniging speelt in de praktijk overigens geen enkele rol, want beide plannen gaan niet door.

Strijd tegen de misdaad, tekening HvO, 1928

Strijd tegen de misdaad, tekening HvO, 1928

Honing stelt in februari in het tijdschrift van Hulp voor Onbehuisden dat Nederland achterloopt bij de maatschappelijke strijd tegen de misdaad, met name op het gebied van het materiële strafrecht. Maar gelukkig heeft thans de Minister van Justitie Jan Donner ‘met vaste hand de teugels gegrepen en ment den strijdwagen op nieuwe banen.’ Deze metafoor komt terug in de illustratie van het blad. Volgens Honing is het verheugend dat de aandacht van het ministerie is verplaatst van de theorie naar de praktijk van de ‘uitwerking der straf.’ Niet langer gaat het erom op welke grond wij straffen, maar staat de vraag ‘hoe moeten we straffen in het waarachtig belang van samenleving en misdadiger.’

tekening, HvO, 1928

Als redding daagt, tekening van Joop van de Berg in het HvO-blad, juni 1928.

Onder de noemer ‘Pesthuiskwesties’ geeft directeur G. H. Honing een draai aan het debat over het voortbestaan van het Oud-Buitengasthuis, het voormalige 17e eeuwse Pesthuis. Moet dit grote Pesthuis met zijn metersdikke muren worden behouden als vaderlands cultuurgoed of kiest Amsterdam voor vernieuwing met een forse uitbreiding van het academische Wilhelmina Gasthuis? Honing beschrijft het Oud-Buitengasthuis, waar dagelijks gemiddeld zo’n 500 klanten van HvO verblijven, als ‘nog zo kwaad niet.’

Zoo met de jaren is het gebouw aan allen die er in werken, dierbaar geworden en zijn zij er aan gehecht geraakt op de wijze, waarop iemand zich hecht aan een klein en ondoelmatig verblijf en er tegen op gaat zien te verhuizen. Maar deze sentimentskant heeft zijn grenzen en de dag, dat we met pak en zak naar ruimere en doelmatiger oorden zullen vertrekken, zal voor allen geen rouwdag zijn.

Poppenhuis, HvO, 1928

Kinderen spelen met een poppenhuis op de binnenplaats van het Oud Buitengasthuis van HvO in 1928.

Het gaat Honing niet om de architectuur of de geschiedenis, ‘het zijn de armen die in het Pesthuis verpleegd worden en hun geval is minstens even urgent, even dringend, evenzeer de aandacht waardig als het al of niet behouden blijven van het gebouw waarin zij vertoeven.’

Op 17 januari komt het Algemeen Handelsblad onder de kop ‘Stakkers, zoo zijn er!’ terug op de kwestie van het gezonken bootje van de oude mensen die de afgelopen Kerst naar HvO zijn gebracht.
‘De oudjes, – al was hun huisje wel zeer wrak, zij hadden dan toch hun eigen woninkje gehad – moesten zich nu schikken in de regelen van het huis van “Jonker” (die naam leeft nog in den volksmond voort), doch dat beviel hun niet, zij waren te zeer gewend aan hun vrijheid. Maar waar moesten de menschen heen als zij het “huis” verlieten?’
Gelukkig trekt een mevrouw aan het Haarlemmerplein zich hun lot aan en neemt hen in huis, maar het is van korte duur want even later overlijden zij beiden op dezelfde dag. Dan blijkt uit onderzoek van de politie dat de arme mensen over ƒ 7000 aan spaargeld beschikten, een aardige som in die tijd, terwijl zij ‘jaren lang een armoedig bestaan hebben geleid en leefden van de publieke weldadigheid.’
Dit is typisch een nieuwsbericht waar ook dan de media al dol op zijn en de kwestie komt dan ook aan de orde in het Leeuwarder nieuwsblad, de Leeuwarder Courant, Het Volk, de Tilburgsche Courant, de Nieuwe Tilburgsche Courant, het Leidsch Dagblad, De Tijd, De Gooi- en Eemlander, De Grondwet, De Sumatra post en Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië.

Kinderen op de binnenplaats van het Oude Buitengasthuis van HvO, 1928

Kinderen op de binnenplaats van het Oude Buitengasthuis van HvO, 1928

Waar nu de kinderen spelen, luidt het bijschrift in juli 1928 in het tijdschrift van HvO

Waar nu de kinderen spelen, luidt het bijschrift in juli 1928 in het tijdschrift van HvO

In de rubriek ‘Wat anderen zeggen’ presenteert het Leeuwarder nieuwsblad opmerkelijke citaten. Op 18 januari valt Hulp voor Onbehuisden de eer te beurt: ‘Een kinderhart is van was. De groeven, die het verdriet er in grift, zijn dra weer glad gestreken.’

‘Een zee van ellende in cijfers’ noemt Het Volk op 3 februari een overzicht van de bezettingscijfers van Hulp voor Onbehuisden.
‘Het aantal nachtverblijven bij Hulp voor Onbehuisden en het Leger des Heils bedroeg in 1927 229.623 tegen 249.967 in 1926,’ aldus De Tijd.

A.J. Mendes da Costa in weekblad De vrijdagavond, 1928

A.J. Mendes da Costa in weekblad De vrijdagavond, 1928

‘De heer Mendes da Costa is op het gebied der armenzorg en vooral der sociale voorzorg een bekende autoriteit, ook buiten den Joodschen kring. Dit bewijst zijn bestuurderschap van het Genootschap Liefdadigheid naar Vermogen en van Hulp voor onbehuisden, waarvan hij reeds geruimen tijd het voorzitterschap waarneemt,’ aldus een artikel in het joodse weekblad De vrijdagavond. Mendes da Costa is op dat moment ook al meer dan 25 jaar secretaris van de Portugees-Israëlitische Gemeente in Amsterdam.

Het Vaderland schrijft op 17 maart over de zorg van de gemeente Amsterdam voor de zogeheten ontoelaatbaren, onmaatschappelijken of asocialen in Asterdorp (120 woningen) en het Zeeburgerdorp (58 woningen), dan net nieuw. Er zijn ook mensen die zich niet aan de regels van deze dorpen kunnen of willen onderwerpen. Zij moeten vertrekken. ‘Met de uitgezette bewoners, de dus niet te reclasseeren ontoelaatbaren, bemoeit de gemeente als zoodanig zich niet. Die komen ten slotte in de Toevlucht voor Onbehuisden. Het gezinsverband is daar opgeheven.’
In 1933 doet de sociaal psychiater dr. Arie Querido (de naamgever van de Queridostichting, die vanaf 1997 samen met Hulp voor Onbehuisden het huidige HVO-Querido vormt) onderzoek naar de populatie van het Zeeburgerdorp. Querido concludeert onder meer dat erfelijke factoren niet de oorzaak zijn van de onmaatschappelijkheid van de bewoners, geen populaire opvatting in die jaren.

Algemeen Handelsblad 7 april 1928

Algemeen Handelsblad 7 april 1928

In een advertentie in het Algemeen Handelsblad van 7 april vraagt Hulp voor Onbehuisden om een piano voor de jongensafdeling aan de Prins Hendrikkade.

‘Een ledige kas een pijnlijke kwaal, die men niemand gunt. De lezers en lezeressen dezer regelen zullen dus stellig met leedwezen hooren, dat de Vereniging Hulp voor Onbehuisden te Amsterdam op het oogenblik zwaar aan die kwaal te lijden heeft,’ aldus Honing in een ingezonden stuk op 13 april in De Tijd en tal van andere kranten.

'Wat verdwijnen gaat,' luidt het bijschrift bij deze foto in het HvO-blad in 1928

‘Wat verdwijnen gaat,’ zegt het HvO-blad in 1928

Het Algemeen Handelsblad meldt op 30 juni dat Hulp voor Onbehuisden mogelijk onderdak kan vinden op de marinewerf aan de Groote Kattenburgerstraat. De commissie van bijstand voor de Maatschappelijken Steun en Armenzorg acht de ‘zeven op dat enorme terrein staande gebouwen, waaronder er in steen zijn opgetrokken en eenige van hout, voor het doel geschikt.’

‘Waar moeten de dakloozen heen, als het Pesthuis wordt afgebroken?,’ vraagt Het Volk. Het artikel gaat vergezeld van een foto van het Pesthuis met het monument voor de Jonkers.
In verband met het voornemen om het voormalige Pesthuis te slopen, staat de Nieuwe Rotterdamsche Courant op 27 juni uitgebreid stil bij een artikel van G. Hellinga uit de Amsterdamsche Gids over de bouwkundige waarde van dit complex.

In het vooruitspringend, helaas gecementeerde middengedeelte is nu rechts de directeurskamer van Hulp voor Onbehuisden. Men vindt er nog een sierlijken marmeren schoorsteenmantel met daarboven vergulde candelabres. […]
Door een poort met twee bruin geschilderde, vermoedelijk eiken deuren, waarboven een wapen, wit met goud, en het onderschrift “de Vreede,” komt men dan in, wat men nu zou noemen, eene groote vestibule of hal en daaruit betreedt men de groote binnenplaats. […]
Wel staat in het midden nog de oude pomp (dateerend van 1812) en om u heen ligt vierkant en stoer het regelmatig kader der gebouwen van baksteen en natuursteen, met op den achtergrond lage voorgebouwtjes, waarin de waschinrichting van Hulp voor Onbehuisden gevestigd is, en die, naar het schynt, altyd voor waschgelegenheid gediend hebben.’

Honing in De Telegraaf 1928

Honing in De Telegraaf 1928

De Telegraaf zoekt op 12 juli directeur Honing van Hulp voor Onbehuisden op om zijn mening over de pesthuiskwestie te vernemen en plaats daarbij een een fotootje van hem. Het spijt Honing niet om het Oude Buitengasthuis te verlaten, ‘want het gebouw wordt slecht, al hebben de verpleegden het hier materieel natuurlijk goed.’
Honing laat zich zien als een praktisch ingesteld man: ‘Wij verlangen een goed hygiënische inrichting, waar een eenvoudige gezelligheid te vinden is voor onze bevolking, geen mooie betimmeringen of iets dergelijks.’

Pupil Alie van den Boogaard op de binnenplaats van het Oud Buitengasthuis, 1928

Pupil Alie van den Boogaard op de binnenplaats van het Oud Buitengasthuis, 1928

Het huisorgaan van Hulp voor Onbehuisden blijft reclame maken voor De vreedzame strijd, het boek van Honing, dat wordt verkocht voor ‘den werkelijk civielen prijs van ƒ3,- gebrocheerd en ƒ3,75 gebonden.’

‘Het is een heele taak, één kind op te voeden en er een behoorlijk mensch van te maken. Het opvoeden en verzorgen van 500 kinderen echter, is nog heel wat anders,’ schrijft Honing op 16 juli in De Tijd en tal van andere kranten. ‘Een roerig goedje, gezond en levenslustig. Zooals alle Nederlandsche kinderen, gaan ze het heele jaar door naar school, maar nu nadert de groote vacantie. Wat moet er in die maand van onze kinderen worden, nu de veiligheidsklep der school verstopt raakt?’ Hulp voor Onbehuisden vraagt dan ook om geldelijke steun, zodat deze kinderen kunnen gaan kamperen. ‘Lezer, doet U nu ook eens iets extra’s voor onze “blijde jeugd”, die zoo onstuimig naar eenige weken buitenleven verlangt.’

Vakantiekamp van HvO, 1928

Vakantiekamp van HvO, 1928

Van 23 juli tot 12 augustus 1928 worden in Amsterdam de Olympische Spelen gehouden. Onder de noemer ‘Olympiade indrukken’ meldt het hoofd van het Jongenshuis aan de Prins Hendrikkade in het tijdschrift van HvO dat de spelen de jonge bewoners niet onberoerd laten.

Amsterdam staat in het teeken van de Olympiade! Alle winkelruiten zijn beplakt en beklodderd met Olympiade-prijzen, slagers annonceeren Olympiade-worst, bakkers maken reclame met Olympiade-koek, zelfs parfumerieèn bezwangeren de atmospheer met Olympiade-geuren!
Hulp voor Onbehuisdens jeugd blijft niet achter. Onze sportminnende pupillen doorspekken hun Olympiade-conversatie met onuitspreekbare namen van Olympiade-grootheden. Getallen 2-1, 11-3, 3-4 rollen als biljardballen heen en weer. Met diepzinnige tronies, opperste deskundigheid voorgevend, worden de kansen besproken. De voetbal- en hockey-verslagen worden even gretig verorberd als het meest boeiende boek. Aller interesse is strak gespannen op de evenementen in ons Stadion.

De auteur keert zich uiteindelijk af van de, in zijn ogen, overdreven aandacht voor de lichaamscultuur en betoogt dat opvoeders de jeugd in plaats van sportlui juist mensen als de arts/schrijver Albert Schweitzer tot voorbeeld zouden moeten stellen.  Bij de jongens van de Prins Hendrikkade lijkt zijn betoog vooralsnog weinig gehoor te vinden.

Vondelpark, HvO, 1928

Kinderen van Hulp voor Onbehuisden in het Vondelpark, 1928.

HvO acht het noodzakelijk dit jongenshuis grondig te renoveren, dan wel uit te zien naar een nieuw onderkomen voor deze doelgroep.

HvO in Saxenheim, 1928

HvO met vakantie in Saxenheim, 1928

De vereniging van directeuren en directrices van rijks- en particuliere opvoedingsgestichten houdt in augustus haar halfjaarlijkse vergadering onder voorzitterschap van G.H. Honing van Hulp voor Onbehuisden, die een inleiding houdt over het personeelsvraagstuk, aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant op 23 augustus.
Men besluit het ‘bestuur te machtigen tot het doen van stappen tot oprichting van een informatiebureau voor personeel-recruteering.’

Ook kinderen van Hulp voor Onbehuisden nemen deel aan het feest dat de Amsterdamse Oranje Jeugd Bond op 31 augustus ter gelegenheid van Koninginnedag organiseert op het IJsclubterrein, ook al is HvO niet bij deze bond aangesloten, zo weet De Telegraaf.

Vakantie van HvO in 1928. Fosco op de parasol is de naam van een verdwenen cacaodrank.

Vakantie van HvO in 1928. Fosco op de parasol is de naam van een verdwenen cacaodrank en misschien ook wel wat de kinderen drinken.

‘B. en W. stellen voor aan de Ver. Hulp voor Onbehuisden voor 1929 een subsidie toe te kennen van ten hoogste ƒ 150.000, zijnde hetzelfde als voor 1928 toegekend,’ aldus het Algemeen Handelsblad op 11 september.

Er zijn onbehuisden en slechtbehuisden stelt kinderrechter en HvO-bestuurslid mr. G.T.J. de Jongh in september in het blad van de vereniging, en ‘soms weet men niet, wat het ergste is.’

Hoe moeten de knaap en het meisje het bolwerken, die door een ongezellige woning, door een atmospheer, waarin een dronken vader den toon aangeeft of een slonzige moeder geen stoel op haar plats weet te zetten, genoopt zijn de straat op te gaan en hun heil te zoeken bij andere vrienden en vriendinnen, die in het zoeken naar oogenblikkelijk genoegen hun meerderen zijn.

Daarom pleit De Jongh ervoor de taak ook uit te strekken naar de slechtbehuisden ‘opdat zij in plaats van rotte plekken in onze maatschappij, die zich van geslacht tot geslacht uitbreiden, opgroeien tot burgers en burgeressen, die de kracht onzer natie vergrooten en haar misschien eens tot sieraad zullen strekken.’

Kinderen van Hulp voor Onbehuisden, vakantiekamp 1928

Kinderen en begeleiders van Hulp voor Onbehuisden, vakantiekamp 1928

Traditioneel is de laatste dag van augustus ook een feestdag voor de jongens van het Observatiehuis. Zo ook vrijdag de 31e in 1928, een dag met prachtig weer. ’s Ochtends wordt er gewoon gewerkt, maar de lunch is een feestmaal dat bestaat uit ‘aardappelen, groenten, vleesch met toespijs.’ De jongens eten er goed van ‘hetwelk ook bleek aan de pannen die schoon leeg waren’ volgens het verslag in het maandblad van Hulp voor Onbehuisden. De adjunct-directeur vertelt dat er vandaag feest wordt gevierd omdat de koningin landsvorstinne is en ook beschermvrouwe  van ons huis. Tijdens de spelen moeten de jongens ook een hindernisbaan doen, waarbij een van de opdrachten is om een pijp tabak te stoppen, aan te steken en te roken.

In september nemen E. René van Ouwenaller en Th. F.M. de Lestrieux Hendrichs afscheid als bestuurslid van Hulp voor Onbehuisden. Als nieuwe bestuursleden verwelkomt HvO mr. Alex H. Wertheim, C.E.G. Hogendijk (commissaris van de zeden- en kinderpolitie), mr. N.G. Servatius (officier van Justitie) en mejuffrouw Chr. van Ouwenaller en mei. C. Hesselink.

Op 22 september brengt de koninklijke familie een bezoek aan Amsterdam en maakt onder meer een rondrit, waarbij velen de koningin en de prinses toejuichen. ‘Op den Ceintuurbaan was veel volk saam gestroomd,’ meldt het Algemeen Handelsblad, ‘en ook verder – in het Vondelpark – dames van het Leger des Heils, in de Roemer Visscherstraat de kinderen van Hulp voor Onbehuisden.’

‘Twee ten doode opgeschreven monumenten van oud-Amsterdam – o vandalenwerk van stadsbestuurderen! – heeft H. M. op haar rijtoer bezichtigd: het oude Pesthuis en de Vijzelgracht. Zij is over de v. Lennepkade het oude Pesthuis of voormalig Buitengasthuis, thans Toevlucht voor Onbehuisden, tot welks afbraak reeds besloten is, langs gereden,’ aldus De Tijd op 24 september.

Spelevaren tijdens de vakantie van HvO in 1928

Spelevaren tijdens de vakantie van HvO in 1928

Drukwerk bij het blad van Hulp voor Onbehuisden, oktober 1928

Los intekenbiljet bij het blad van Hulp voor Onbehuisden, oktober 1928. Mogen wij hoopen op ruime toezending?

Hulp voor Onbehuisden komt ongeveer 35.000 gulden tekort, schrijft Honing eind oktober in een ingezonden stuk, onder meer de Nieuwe Rotterdamsche Courant. ‘Ter wille der ruim 700 mannen, vrouwen en kinderen, die in de asyls en internaten verpleegd worden, moet het tekort verdwijnen. Het zal verdwijnen! Want thans richt ik mij tot alle menschenvrienden, die zonder bezwaar iets kunnen missen voor hen.’

Zijn er zoo?, tekening van W. Hielkema in het HvO-blad, 1928

Zijn er zoo?, tekening van W. Hielkema in het HvO-blad, 1928

Het Leeuwarder nieuwsblad neemt op 31 oktober een gedicht over uit het tijdschrift van Hulp voor Onbehuisden.

Slechts hij kan eindelijk slagen,
Die werkend voorwaarts streeft,
Van talmen weet noch klagen,
Als hem ’t geluk begeeft.

Wie groote dingen wrochtten,
Die zeggen altegaar,
Dat zij ’t slechts winnen mochten
Na arbeid, lang en zwaar

Zelf-ontginning, HvO-blad 1928

Zelf-ontginning, HvO-blad 1928

Muziekvereniging Mandolinistica geeft dinsdagavond 20 november een weldadigheidsconcert voor de mannenafdeling van Hulp voor Onbehuisden, meldt Het Volk.

In november 1928 is het maandblad van Hulp voor Onbehuisden een heuse ‘special’, grotendeels gewijd aan de zegeningen van het boerenbedrijf. De tekening van Joop van den Berg, die Henk Meijer heeft opgevolgd als vaste illustrator van Hulp voor Onbehuisden, toont onder de titel ‘Zelf-ontginning’ een blijmoedige agrariër, die met een spa over de schouder door het ruisende graan op weg is naar zijn werk, onder een motto uit Haydns Die Jahreszeiten ‘Schon eilet froh der Ackersmann zur Arbeit auf das Feld.’
Het tijdschrift wordt gesierd door maar liefst vier foto’s van de landbouwkolonie van Hulp voor Onbehuisden in het Friese Appelscha, een redactionele uitspatting in deze sobere tijd.

Waar eens de heide bloeide, luidt het onderschrift in het HvO-blad van 1928 bij een artikel over Appelscha

Waar eens de heide bloeide, luidt het onderschrift in het HvO-blad van 1928 bij een artikel over Appelscha

Dit tehuis voor twintig jongens, waar ontginning, land- en tuinbouw en veeteelt worden beoefend, heeft in de zomer van 1928 eindelijk goedkeuring gekregen van de regering voor de verpleging van regerings- en voogdijkinderen van alle gezindten. ‘Het is de bedoeling op te nemen oudere voogdij- en Regeeringsjongens en jongens onder gezinsvoogdij (boven den leerplichtigen leeftijd dus), die niet behooren tot de uitgesproken achterlijken of psychopathen en voor wie plaatsing in een land- en tuinbouwgesticht nuttig wordt geacht,’ aldus Hepkema’s Courant.

Oogsten, HvO-blad over Appelscha, 1928

Oogsten, HvO-blad over Appelscha, 1928

Volgens Hulp voor Onbehuisden is het over het algemeen vaak moeilijk om geschikte adressen voor de opname te vinden  voor de wat  ‘oudere knapen’ en daarom wordt juist voor hen deze mogelijkheid in het jongenslandbouwhuis in Friesland geboden, ‘in de meening dat daardoor in een bepaalde behoefte wordt voorzien,’ aldus het maandblad van Hulp voor Onbehuisden in november. Het heeft lang geduurd voordat de noodzakelijke verbeteringen gereed waren, geeft HvO toe, dat komt door de moeilijkheid ‘om de noodige gelden daarvoor te kunnen uittrekken.’

Tuinarbeid, HvO-blad over Appelscha, 1928

Tuinarbeid, HvO-blad over Appelscha, 1928

Deze erkenning, waarvoor Hulp voor Onbehuisden al sinds 1920 ijvert, komt echter veel te laat, HvO kan het tehuis in Appelscha niet langer rendabel exploiteren en een jaar later wordt het gesloten.

Hulp voor Onbehuisden vergelijkt in zijn tijdschrift van oktober de prijzen van levensonderhoud tussen een dierentuin en een opvanginstelling. Een walrus kost dagelijks gemiddeld drie rijksdaalders aan vis, een leeuw twee gulden aan vlees en de voeding van een olifant kost ongeveer drie gulden per dag. Mensen in een nachtasiel kun je daarentegen voor zestig cent per persoon per dag voeden, weet Hulp voor Onbehuisden uit ervaring, want elke avond betrekt de ‘garde der armoe’ de wacht voor onze poort.

Bij de schuur, HvO-blad over Appelscha, 1928

Bij de schuur, HvO-blad over Appelscha, 1928

De Nederlandsche Vereeniging voor Armenzorg en Weldadigheid stelt op 17 november een permanente commissie in die is belast met ‘de opleiding van verzorgers voor onmaatschappelijken en maatschappelijk zwakken,’ meldt Het Vaderland. Directeur Honing van Hulp voor Onbehuisden maakt deel uit van deze commissie.

Op 19 november krijg het bestuur en toezicht bij Hulp voor Onbehuisden een andere vorm. Iedere afdeling krijgt een zogeheten Commissie van Toezicht, een commissie van terzake deskundigen, elk onder leiding van een gedelegeerd bestuurslid. Bij het Observatiehuis was dit al een paar jaar eerder geïnstalleerd, nu wordt dit bij de hele vereniging ingevoerd.

Titelblad HvO-tijdschrift, december 1928, met de Commissiën van Toezicht

Titelblad HvO-tijdschrift, december 1928, met de Commissiën van Toezicht

Mr. A.M. Blaisse en mr. A.J. Hendrix treden eind 1928 toe tot het bestuur van Hulp voor Onbehuisden.

P.C. Faber, adjunct-directeur van het Observatiehuis, houdt in november een lezing bij buurthuis Ons huis over het reilen en zeilen van het Observatiehuis. Na afloop komt de voormalige pupil Dirk (die tien jaar geleden in datzelfde tehuis zat) op hem af, die verklaart weliswaar nog niet zoveel te verdienen als knecht bij een tuinder, maar die toch even later langskomt bij de Vormaerstraat en heel veel chocolade voor de jongens meebrengt en bovendien boeken voor de bibliotheek van het Observatiehuis.

De nieuwe locatie voor Hulp voor Onbehuisden blijft een lastige kwestie. ‘Er is in de stad feitelijk geen terrein te krijgen of men moet in de richting Sloten of Watergraafsmeer gaan,’ aldus Dr. I.H.J. Vos, de liberale wethouder van openbare gezondheid, maatschappelijke steun en armwezen, op 12 december in De Tijd. ‘Het vraagstuk der onbehuisden is ter oplossing gedrongen in de richting der Marinewerf, doch men is op de regeering aangewezen, waar thans de zaak aanhangig is.’

De verloren zoon in de slaapstee met 'een heitje om te maffen, twee duppies om te bikken en twee katsies om op te kikkeren.' Tekening uit het HvO-blad, 1928

De verloren zoon in de slaapstee met ‘een heitje om te maffen, twee duppies om te bikken en twee katsies om op te kikkeren.’ Tekening uit het HvO-blad, 1928

In december publiceert Hulp voor Onbehuisden in zijn maandblad het verhaal ‘De verloren zoon’ van L.C.P. Koenen, de propagandist van de vereniging. Het is een kerstvertelling vol misère over het zwerversleven, met fraaie en stemmige illustraties van Joop van den Berg.
Kijk hier om dit verhaal te lezen.

Kerst bij HvO, Jo Spier 1928

Kerst bij HvO, Jo Spier 1928

Hulp voor Onbehuisden hoopt in diverse kranten, zoals De Telegraaf en het Algemeen Handelsblad, op enige vrijgevigheid van het publiek rond Kerstmis. ‘Worstelend met tekort aan geldmiddelen verpleegt en verzorgt zij 700 mannen, vrouwen en kinderen zonder onderdak of vooruitzicht en tracht tevens hen te redden en te behouden.’
De Telegraaf publiceert op 25 december een tekening van Jo Spier, getiteld ‘Kerstimpressie in het nachtasyl voor mannen van Hulp voor Onbehuisden.’ De tekst van het plakkaat op de muur op deze tekening luidt: ‘Vriendelijk en ernstig verzoek het vloeken en ydel gebruik van gods naam na te laten.’

Hulp voor Onbehuisden is een van de 300 verenigingen die geld krijgen van de verkoop van weldadigheidspostzegels ten behoeve van het hulpbehoevende kind. In 1928 bedraagt dit ƒ 3271, meldt het Nieuwsblad van het Noorden.

Kersttekening van Joop van den Berg in het HvO-blad, 1928

Kersttekening van Joop van den Berg in het HvO-blad, 1928

HvO moet dringend uitzien naar vervanging voor, alvast een deel van, het Oud Buitengasthuis. In december 1928 duikt als mogelijk tijdelijk alternatief voor de kinderafdeling een tweetal scholen aan de Roggeveenstraat op. Hoewel ook hier flink moet worden verbouwd en de vrouwen en kinderen uiteindelijk pas in 1937 zullen verhuizen naar de Roggeveenstraat, is van tijdelijkheid geen sprake, want HVO-Querido zit er heden ten dage nog steeds.

Hoewel er in 1928 minder nieuwe gevallen van onderstand worden toegekend (8.920 tegen 10.610 in 1927), neemt het aantal onbehuisden in Amsterdam juist toe, stelt het Gemeentelijk bureau voor de Statistiek vast. ‘De vermeerdering van het aantal, door het Leger des Heils en Hulp voor Onbehuisden verstrekte nachtverblijven (1928: 301.470, 1927: 283.070; 4e kw. ’28: 80.850, 4e kw. ’27: 69.060) is waarschijnlijk te beschouwen als een gevolg van het feit, dat de ingetreden verbetering van den ekonomischen toestand werkloozen van elders aantrekt, hetwelk dan, althans aanvankelijk, de behoefte aan de hier bedoelde nachtverblijven doet toenemen,’ aldus Het Volk.

In 1928 verstrekt HvO aan 3193 mannen, vrouwen en kinderen in totaal 234.447 verpleegdagen, dat is gemiddeld 642 per dag.

 

1929

Slee, HvO, 1929

Zuster Jet en Zuster Akkermans van HvO in de arrenslee naar Marken, februari 1929.

Maandag 7 januari geeft de Mandolineclub L’Estudiantina een gezellige avond in Hulp voor Onbehuisden. De aanwezige mannen zullen tabak of sigaren krijgen, aldus het Algemeen Handelsblad.

Voor de Amsterdamse politierechter staat een zwerver die naar eigen zeggen bij Hulp voor Onbehuisden op een zwarte lijst staat omdat hij niet wil werken. De man wil graag in de bekende kolonie voor landlopers in Veenhuizen worden opgenomen, maar heeft geen geld om daar te komen. Daarom gooit hij een steen door een ruit van een woning aan de Emmalaan en hoopt zo tot Veenhuizen te worden veroordeeld. De politierechter is echter weinig gecharmeerd van deze handelswijze. ‘De beteuterde zwerver, die het goede bed en de smakelijke stamppot in Veenhuizen al klaar zag staan, hoorde zich veroordeelen tot 4 maanden gevangenisstraf zonder opzending,’ aldus het Leeuwarder nieuwsblad op 10 januari.

In het januarinummer van het tijdschrift van Hulp voor Onbehuisden schrijft P.C. Faber over een schrijnende kwestie in Almelo.

Tekening in het HvO-blad, 1929

Tekening in het HvO-blad, 1929

‘Een 10-jarig knaapje, ingesloten in het Huis van Bewaring, nog in het jaar 1928, terwijl de Kinderwetten reeds 27 jaar geleden werden aangenomen, hoe is het toch mogelijk? Jaren en jaren is er op gewezen, dat een minderjarige – anders, dan in uiterste noodzaak – niet hoort in een Huis van Bewaring. Jaren en jaren houdt de Nederlandsche Bond tot Kinderbescherming zijn belangrijke jaarvergaderingen, waar allen, die belang stellen in kinderberechting en kinderverpleging, samenkomen en waar jaar in jaar uit op idealistische wijze wordt gesproken. Al bijna 30 jaar werken de verschillende verenigingen Pro Juventute. Duizenden exemplaren van Brusse’s Boefje werden verkocht en gelezen, honderden malen vertoonde Annie van Ees Boefje en deed ons meegevoelen het lijden van een kind in een Huis van Bewaring… en toch en toch in onze dagen een 10-jarig kind, dat nog met een pop speelt, in een Huis van Bewaring.’

Faber vindt het woord ‘schande’, dat het Kamerlid Albert van der Heide, één van de zogeheten rode dominees van de SDAP, eerder voor deze kwestie bezigde, niet scherp genoeg, hij noemt de zaak ergerlijk. ‘Hij schrijft geheel uit ons hart,’ aldus Het Vaderland.
Een maand later komt Hulp voor Onbehuisden nog eens terug op deze zaak. Honing vindt vooral ‘de wijd gapende kloof’ tussen de berechting en de bescherming van kinderen die hieruit blijkt betreurenswaardig. ‘Blijkbaar wordt niet ingezien, dat een kind zoover mogelijk moet worden gehouden van alles, wat op “opsluiting” gelijkt.’

NRC, 31 januari 1929

NRC, 31 januari 1929

De stomme Amerikaanse filmkomedie Good Morning Judge uit 1928 van regisseur William A. Seiter wordt in Nederland uitgebracht onder de titel ‘Een toevlucht voor Onbehuisden’ en op 1 oktober 1928 door de filmkeuring geschikt geacht voor een publiek van 14 jaar en ouder. Het sociaaldemocratisch dagblad Voorwaarts noemt het op 11 januari 1929 een ‘zeer geestige film.’ Het hele jaar wordt er in de filmrubrieken in diverse kranten druk geadverteerd voor deze Toevlucht voor Onbehuisden.

Hulp voor Onbehuisden slaakt eind januari een noodkreet in onder meer de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Er is dringend behoefte aan kleding en schoenen, vooral voor mannen. ‘Heeren, ziet uw kleerkast eens na; ge vindt daarin zeker iets wat ge best voor Onbehuisden kunt missen,’ schrijft Honing. HvO komt de spullen ook graag ophalen als dat wenselijk is.

Op 2 februari wijdt het Algemeen Handelsblad een hele pagina aan Hulp voor Onbehuisden. Het artikel, van de hand van het duo Annelèn, is voorzien van een fraaie tekening van Jan Rotgans van directeur Honing. Het artikel heeft een motto uit de opera ‘Le chemineau’ (De landloper) van de Fransman Xavier Leroux uit 1907.

Honing, tekening van Jan Rotgans, 1929

Honing, tekening van Jan Rotgans, 1929

‘Er komen veel’, zegt de heer Honing, die de opvolger werd van den zoo populairen Jonker, den stichter van de Toevlucht, ‘de achterlijke en de intellectueel, de drankzuchtige en de geheelonthouder, de arbeidsschuwe en de werkwillige. Wij krijgen bij ons den zoon van beteren huize, tegelijk met den analphabeet, wiens ouders zich aan zijne opvoeding niets lieten gelegen liggen.’

Honing toont weinig sentimentaliteit over het verlaten van het pesthuis uit de Gouden Eeuw.

‘De huisvesting wordt hier op den duur al te primitief. Dit geldt in het bijzonder voor de zuigelingen, voor de allerkleinste wichtjes, die, noodgedrongen, zijn ondergebracht in de donkere zolderruimte. Denkt eens aan, dat wij onze babies maar zelden of nooit in de heerlijke buitenlucht kunnen brengen; begrijpt gij, dat wij een verandering slechts kunnen toejuichen?’

‘Wij kunnen,’ vertelt de heer Honing, ‘als regel geen lieden opnemen, die buiten Amsterdam gedomicilieerd waren; wij zouden dan als een zuigpomp werken.’
Het Handelsblad noemt de populatie van Hulp voor Onbehuisden ‘een groot, bijzonder gezin, een wereld in het klein.’

HvO, tekening, 1929

Een man met één been, op krukken, ‘s-avonds in de sneeuw onderweg naar het Buitengasthuis, 1929. Tekening: Jo Spier.

De winter van 1929 levert in Nederland de op twee na ergste koudegolf van de eeuw: van 11 tot 20 februari is de temperatuur in De Bilt gemiddeld -9,7°C, aldus het KNMI. Een week lang vriest het hier elke dag zeer streng, meer dan 15°C onder nul. In Winterswijk wordt op 14 februari van dat jaar -21,5°C gemeten, maar ook in het doorgaans wat warmere Limburg is het koud: in Sittard zakt het kwik tot -21,4°C.

Wat de winter ons achterliet, tekening HvO-blad, 1929

Wat de winter ons achterliet, tekening HvO-blad, 1929

‘Ook in de gestichtsafdeelingen onzer Vereeniging doet zich de koude duchtig gelden,’ meldt het maandblad van Hulp voor Onbehuisden in februari.

Vooral in het Oud-Buitengasthuis is dit het geval. Vooreerst deed zich daar de moeilijkheid der ligging voor. Zooals wij reeds eerder schreven, is de voorraad dekens niet overgroot. Een eigenlijke reserve, die toch broodnodig is, ontbreekt nog steeds.

Om de koude in den lande te verdrijven adverteert de afdeling werkverschaffing van Hulp voor Onbehuisden in het huisorgaan maandelijks paginagroot voor bosjes kachelhout (‘kurkdroog’), 100 stuks voor 2 gulden, 1000 voor ƒ17,50.

‘De felle koude doet haar invloed gelden op het maatschappelijk leven in al zijn geledingen,’ aldus directeur Honing in Het Volk, De Telegraaf, de Nieuwe Rotterdamsche Courant en De Tijd. ‘En ook de Vereeniging Hulp voor Onbehuisden te Amsterdam, populair bekend als “Jonker”, wordt door de ongekend lage temperatuur voor netelige problemen gesteld.’

'Komt, kinderen, hier kunt ge niet blijven: zoolang moeder ziek is moet ik hullie onderdak zien te krijgen,' tekening HvO-blad maart 1929

‘Komt, kinderen, hier kunt ge niet blijven: zoolang moeder ziek is moet ik jullie onderdak zien te krijgen,’ tekening HvO-blad maart 1929

Een oproep in het Algemeen Handelsblad om extra giften tijdens de koude heeft het beoogde resultaat: HvO ontvangt ± 100 dekens en ruim ƒ2300 in contanten. Ook Het Vaderland maakt melding van particulier initiatief ten bate van Hulp voor Onbehuisden in de vorm van winterkleding. Tijdens de koudeperiode verstrekt de gemeente Amsterdam warm voedsel op een groot aantal plaatsen in de stad.
‘Het overgebleven eten heeft zijn weg natuurlijk wel gevonden. Zoowel bij het Leger des Heils als bij Hulp voor Onbehuisden wist men er best raad mee,’ aldus Het Volk.

In het blad van maart kan Hulp voor Onbehuisden gelukkig eindelijk afscheid nemen van de strenge winter, ‘den ouden tyran.’

Iedereen heeft het met hem aan de stok gehad. De verpleegden, de beambten en ambtenaren, de administratie, die op een gegeven moment met dikke overjassen aan en verkleumde vingers zat te schrijven, de directie, ieder zegt luide en met overtuiging: “Geef ons den kwakkelwinter!”

In maart maakt Hulp voor Onbehuisden ‘met bijzondere ingenomenheid’ de oprichting bekend van de Vereeniging U.A. voor Coöperatief verzekeren van Maatschappelijk Werkers tegen Ziekte en Invaliditeit, kortweg de Invaliditeits-Coöperatie. Dit is een landelijke vereniging waarin een groot aantal zorginstellingen samenwerkt. Zowel individuen als besturen van verenigingen ten behoeve van hun personeel kunnen hieraan deelnemen.

Kinderen en een zuster op de binnenplaats van het Oude Buitengasthuis van HvO, 1929

Kinderen en een zuster op de binnenplaats van het Oude Buitengasthuis van HvO, 1929

Gemeenteraadslid en huisarts Ben Sajet vraagt B. en W. of het deze bekend is ‘dat een 30-tal kleine kinderen in het gebouw van de Ver. Hulp voor Onbehuisden wordt verpleegd in een zaal welke in alle opzichten ongeschikt is voor deze verpleging’ en of B. en W. bereid zijn eraan mee te werken om deze kinderen spoedig beter onder te brengen, aldus het Algemeen Handelsblad op 21 maart.
In reactie hierop stellen B. en W. voor om de één- en tweejarigen van Hulp voor Onbehuisden, de zogeheten papkinderen, tijdelijk op te nemen in de inrichting voor Stadsbestedelingen aan de Prinsengracht, totdat HvO voor de hele populatie een nieuw onderkomen heeft gevonden, zo meldt de Nieuwe Rotterdamsche Courant.

Juliaantje en Emmy op de binnenplaats van het Oud Buitengasthuis van Hulp voor Onbehuisden, 1929

Juliaantje en Emmy op de binnenplaats van het Oud Buitengasthuis van Hulp voor Onbehuisden, 1929

‘Voor kinderen beneden drie jaar moest een beroep worden gedaan op het Burgerweeshuis en Hulp voor Onbehuisden, een punt, dat ten volle de aandacht van het Bestuur verdient,’ meldt het jaarverslag van de Vereeniging voor Maatschappelijk Werk onder Joodsche Zieken te Amsterdam volgens het Nieuw Israelietisch weekblad op 22 maart.

Op vrijdag 29 maart houdt G.H. Honing van Hulp voor Onbehuisden van kwart over zes tot half zeven een praatje op de radio vanuit Hilversum, zo meldt het Nieuwsblad van Friesland.

De ijsbrekers van het particulier initiatief en van de regering, 1929

IJsbrekers van particulier initiatief en regering, 1929

In april buigt Honing zich in het tijdschrift van Hulp voor Onbehuisden over de rol van de overheid en van het particulier initiatief bij de armenzorg. ‘De kleine ijsbreker van het particulier initiatief is slechts in staat geweest een smal vaargeultje open te houden. De groote en machtige Regeerings-ijsbreker heeft werkeloos toegezien. Jaren lang. Moge die thans eindelijk eens in actie komen en de ijskorst verbreken, die dit mooie werk in zoo knellende boeien besloten houdt.’
De tekening van Joop van den Berg in het maandblad van Hulp voor Onbehuisden verbeeldt deze beeldspraak in letterlijke zin.

Medewerkers van HvO tijdens vakantiekamp, 1929

Medewerkers van HvO tijdens vakantiekamp, 1929

‘In de nieuwere letterkunde is poriomanie ’n verschijnsel, dat men gedurig breed beschreven vindt,’ aldus E.W.K.S. in het tijdschrift van HvO in april. Het begrip poriomanie wordt in het artikel als een algemeen bekend verschijnsel beschouwd en niet nader uitgelegd. Het betekent zoiets als zwerflust, een onbeheersbare dwang om te vertrekken. Als voorbeelden van de nieuwere letterkunde worden Arthur van Schendel over Tamalone, Henriëtte Roland Holst over Rousseau en Mark Twain over Huckleberry Finn genoemd. Poriomanie blijkt overigens vooral een mannelijke aandoening, want de auteur zijn ‘noch uit de literatuur, noch uit de praktijk’ gevallen bekend van vrouwen die vagebonderen.

Op 18 april brandt in Amsterdam het grote Paleis voor Volksvlijt af, waar ook Hulp voor Onbehuisden in het verleden regelmatig evenementen heeft georganiseerd, zoals verlotingen en bazaars.

Landloperscongres in Stuttgart, 1929. Foto uit Het Leven.

Landloperscongres in Stuttgart, 1929. Foto uit Het Leven.

Met Pinksteren wordt in het Duitse Stuttgart een internationaal congres voor landlopers en vagebonden georganiseerd. Onder de genodigden bevinden zich schrijvers als Knut Hamsun en Maxim Gorki, terwijl Sinclair Lewis vanuit Amerika zijn steun betuigt.
Het maandblad van Hulp voor Onbehuisden maakt hier tandenknarsend melding van. ‘De rustige, gezeten burger, schijnt iets romantisch te zien in het landloopersdom. Is het misschien omdat hij met François Villon kan meezingen: Vente, gresle … j’ai mon pain cuyt?’
HvO merkt ook vol afkeer op dat de pers, de ‘spiegel der algemene gedachte,’ dit evenement breed uitmeet. ‘Hun congres werd natuurlijk in Duitschland gehouden, de Heimat van Wandervögel en natuurmenschen,’ aldus Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië. Het Soerabaijasch handelsblad meldt dat het congres is georganiseerd door het Duitse ‘landloopersweekblad’ Der Kunde, met als ondertitel Zeit- und Streitschrift der Vagabunden, dat sinds 1927 verschijnt. Er verschijnt een fotoreportage in Het Leven en de Leeuwarder courant, Voorwaarts, het Limburgsch dagblad, de Nieuwe Tilburgsche Courant, het Leeuwarder nieuwsblad, de Leidsche Courant en het Haarlem’s Dagblad besteden er aandacht aan. Volgens De Tijd is er niets nieuws onder de zon en wijst op de ‘vagans scholasticus,’ rondtrekkende geleerden uit de Middeleeuwen.

Vacantie? tekening 1929

Vacantie? tekening 1929

Hulp voor Onbehuisden moet er niets van hebben. ‘Hoe is het mogelijk, vragen wij ons af, dat er ook maar eenige notitie genomen wordt van een dergelijk gedoe? De onzin loopt er bij stralen van af.’

In juni toont het tijdschrift van Hulp voor Onbehuisden onder de titel ‘vacantie’ een tekening van Joop van den Berg waarop twee arme kinderen toekijken hoe mensen in een auto met chauffeur bij een chique hotel arriveren. De boodschap is duidelijk, de ongeveer driehonderd kinderen van HvO zouden deze zomer ook graag met vakantie gaan, zij het dan wat eenvoudiger door te kamperen in bos en heide bij Nunspeet. Hulp voor Onbehuisden zou de kinderen zo gaarne ‘eenige weken van zorgeloos, heilbrengend, open-lucht-leven willen schenken,’ maar hiervoor ontbreken de middelen, tenzij de welwillende lezeressen en lezers van het HvO-blad de vereniging te hulp schieten.

Vacantie! tekening 1929

Vacantie! tekening 1929

En dat gebeurt. In de editie van augustus van het tijdschrift van Hulp voor Onbehuisden staat eveneens een tekening van Joop van den Berg met de titel ‘vacantie,’ maar deze plaat toont blije kinderen die aan het kamperen zijn. Uit het begeleidende artikel wordt duidelijk dat vele grote en kleine giften de jaarlijkse reis naar Nunspeet opnieuw mogelijk hebben gemaakt.

Op maandag 1 juli wordt de jaarvergadering van Hulp voor Onbehuisden gehouden, ‘des n.m. 8 uur, ten kantore der vereeniging, 2e Constantijn Huygensstraat 35,’ zo laat het bestuur weten in het Algemeen Handelsblad.

De keuken in het vakantiekamp van HvO, 1929,

De keuken in het vakantiekamp van HvO, 1929,

Op 1 augustus 1929 wordt het Jongens-Landbouwhuis te Appelscha opgeheven. De nog aanwezige jongeren kunnen hun agrarische opleiding voltooien en zullen zodoende ‘wat hun toekomst betreft geen schade lijden,’ aldus het Nieuwsblad van Friesland.
Het terrein van in totaal circa 25 hectare, het vee en de te veld staande gewassen kunnen worden verkocht. Het geheel wordt, blijkens een advertentie in Hepkema’s courant, op 18 december door notaris Cammenga uit Oosterwolde in vier delen te koop aangeboden: het jongenshuis, de directeurswoning, weiland en bouwland.
Het geheel brengt conform de raming zo’n ƒ19.000 op. De nieuwe eigenaar, Staatsbosbeheer, doet het Jongenshuis al begin jaren dertig  weer over aan de Jeugdbond voor Onthouding.

Appelscha, HvO, 1929

De landbouwkolonie van Hulp voor Onbehuisden in Appelscha in de jaren ’20.

Voor de politierechter staat een jonge vrouw wegens diefstal. Zij heeft eerder iets gestolen. ‘De vereeniging Hulp voor Onbehuisden had zich haar lot aangetrokken, haar geholpen, waar het kon,’ aldus dagblad Het Volk.
‘Een ambtenares van de vereeniging Hulp voor Onbehuisden werd als deskundige gehoord. Zij zeide, dat zij voor een herhaling van dit delikt niet meer vreesde, maar dat er om dit leven in een andere richting te leiden een krachtige hand nodig is. En de rechter besloot haar die te geven.’
De vrouw moet nog wel drie jaar onder toezicht staan van Hulp voor Onbehuisden.

Kind, HvO, 1929

Daan, een bewoner van Hulp voor Onbehuisden, op de binnenplaats van het Oude Buitengasthuis, 1929

Onder de titel ‘Kleeren maken de man’ schrijft Honing op 9 september in het Algemeen Handelsblad ‘wanneer iemand, die haveloos en geheel versjofeld bij ons kwam, weer fatsoenlijke kleeren en heele schoenen draagt, dan stijgen zijn maatschappelijke kansen minstens 50% niet alleen, doch dan komen ook zelfrespect en wilskracht terug en wordt het uitzicht op herstel en behoud aanmerkelijk grooter. Dit geldt zoowel voor de mannen als voor de vrouwen, die in de Inrichting belanden. Steeds wordt er daarom door ons naar gestreefd, de verpleegden netjes voor den te doen komen.’
En daar is de steun van het publiek voor nodig.

Kinderen en een leidster van HvO, vakantie 1929

Kinderen en een leidster van HvO, vakantie 1929

B. en W. vragen de gemeenteraad machtiging om aan de vereniging Hulp voor Onbehuisden voor het jaar 1930 een subsidie toe te kennen van ten hoogste ƒ 135.000, meldt het Algemeen Handelsblad. Dat is ƒ 15.000 minder dan de laatste vier jaren.
Het is de vraag, aldus het Algemeen Handelsblad, ‘of zulk een sterke vermindering van het subsidie geen schade zal doen aan de bemoeiingen van deze vereeniging, temeer daar deze op allerlei gebied eer toe dan af zullen nemen.’
HvO stuurt eind oktober een adres naar de gemeenteraad waarin de vereniging stelt dat een verlaging van het subsidiebedrag ‘haar voortbestaan ernstig bedreigt.’ Hulp voor Onbehuisden pleit er dan ook voor de subsidie in ieder geval ongewijzigd te handhaven, aldus het Algemeen Handelsblad. Of het hieraan ligt, is onduidelijk, maar in december stellen B. en W. de gemeenteraad voor om aan Hulp voor Onbehuisden voor 1930 alsnog ƒ 150.000 subsidie te verstrekken. Deze voordracht wordt aangenomen.

Terug naar Amsterdam, vakantie van Hulp voor Onbehuisden, 1929

Terug naar Amsterdam, het einde van de vakantie van Hulp voor Onbehuisden, 1929

Prins Hendrikkade 165, Jongenshuis van Hulp voor Onbehuisden, jaren '20

Prins Hendrikkade 165, Jongenshuis van Hulp voor Onbehuisden, jaren ’20

Op 15 september is voorlopig de laatste dienst in de Amsterdamse Zuiderkerk. Het valt de verslaggever van het Algemeen Handelsblad op dat er zo weinig jonge mensen aanwezig zijn bij de dienst, hij mist de kleurige klederdracht van de kinderen van het Burgerweeshuis en  ‘de kinderen van Hulp voor Onbehuisden schijnen ook niet meer te komen.’ Hier worden de kinderen bedoeld van het Jongenshuis van HvO aan de Prins Hendrikkade.
Deze bewering moet het Algemeen Handelsblad een paar dagen later echter terugnemen. De kinderen van Hulp voor Onbehuisden gaan nog steeds elke zondag ter kerke, laat de vereniging weten, en tot en met 15 september naar de Zuiderkerk, ‘zij zijn echter niet langer in kleedij gestoken, die hen van andere kinderen onderscheidt en vallen dus niet op. Maar ze waren er, ook Zondag j.l.’

In september overlijdt de heer C.D.A. Stolwerk die bijna vijftien jaar als directeur van de mannenafdeling van Hulp voor Onbehuisden heeft gewerkt.

De meisjes van het Folminapaviljoen in Houten van Hulp voor Onbehuisden brengen een bezoek aan het vliegkamp in Soesterberg.

Omslag van Petro, de acrobaat, 1929

Omslag van Petro, de acrobaat, 1929

In 1929 verschijnt het boek Petro, de acrobaat, geschreven door U.G. Dorhout. In dit kinderboek loopt de verwaarloosde titelheld weg bij zijn boze stiefouders en komt in Amsterdam terecht waar hij in het Observatiehuis van Hulp voor Onbehuisden wordt opgenomen. Daar bevalt het hem goed, iedereen is vriendelijk, het eten is lekker en hij heeft nog nooit zo’n fijn bed gehad. Uiteindelijk wordt hij liefdevol opgenomen door pleeghouders in Friesland. Eind goed, al goed.
Kijk hier voor een artikel over Petro, de acobaat.

De filantroop Andries de la Fontaine Verwey uit Deventer schenkt Hulp voor Onbehuisden ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag honderd nieuwe dekens, onder het motto: ‘Als Winter komt,’ zo meldt het Algemeen Handelsblad. ‘Het spreekt vanzelf, dat Onbehuisden deze zoo welkome aanvulling van den inventaris met groote dankbaarheid heeft aanvaard en hoopt, dat het voorbeeld navolging zal vinden,’ schrijft Het Volk.

Kindren , HvO, 1929

Kinderen van HvO op de binnenplaats in 1929

In oktober 1929 sluit HvO ook het hotel De Hoop, het volkslogement met ruim zestig kamers   aan de Warmoesstraat 158. Het uit circa 1735 daterende pand wordt in 1935 afgebroken. Op deze plek bevindt zich momenteel de parkeergarage van De Bijenkorf.

Onder de titel ‘Hoe dakloozen behandeld worden in Amsterdam’ verschijnt op 4 oktober een zeer kritisch artikel over Hulp voor Onbehuisden in de communistische krant De Tribune.
‘Men kent dat prachtige instituut Hulp voor Onbehuisden te Amsterdam. De reclame, die voor dit pronkstuk van Nederlandsche “liefdadigheid” wordt gemaakt, is niet gering. En zij, die van de zorg van deze instelling moeten gebruik maken, durven zich over het algemeen niet te uiten. Het zijn de ergste uitgebuiten, die nergens terecht kunnen, die bij “Jonker” hun toevlucht zoeken.’
Volgens De Tribune is het eten hij HvO vaak niet goed en men memoreert een geval van een arbeider die de toegang is geweigerd wegens plaatsgebrek. ‘Het wordt tijd voor een grondig onderzoek,’ aldus de krant.

Tijdschrift HvO, 1929

Omslag HvO-tijdschrift, oktober 1929.

Onder de kop ‘Een rouwmoedige dief’ verhaalt de Limburger koerier op 19 oktober over een 54-jarige verpleegde van Hulp voor Onbehuisden die er met 150 gulden uit de kas van HvO vandoor gaat, maar zich in Rotterdam berooid bij de politie meldt, ‘omdat hij vond dat hij voor zijn gedrag straf verdient.’

Half november ontstaat onenigheid over de garantiestelling van de gemeente Amsterdam bij de bouw van een volkslogement in de havenbuurt door de Vereniging Amsterdams Bouwfonds. Verschillende raadsleden beweren dat het hier niet om een volkslogement gaat, maar om een toevlucht voor onbehuisden. Wethouder De Miranda weet de raad te overtuigen van het tegendeel, zo meldt De Tijd.
Vele jaren later krijgen de sceptici overigens alsnog een beetje gelijk als HvO het pand aan de Montelbaanstraat in 1968 van de V.A.B. overneemt en er onder de naam Walenburg een opvanghuis voor dak- en thuislozen vestigt.

Der Wahn ist kurz, die Reu ist lang, 1929

Der Wahn ist kurz, die Reu ist lang, 1929

Een artikel over ongehuwde moeders in het novembernummer van het maandblad van Hulp voor Onbehuisden heeft een regel uit Friedrich Schillers bekende gedicht ‘Das Lied von der Glocke’ als motto: Der Wahn ist kurz, die Reu ist lang, en dat is ook de titel van de tekening van Joop van den Berg in deze editie.
In het artikel pleit HvO voor een nationale variant op de Amsterdamse UVOM, de in 1921 opgerichte Unie van Vereenigingen voor Ongehuwde Moeders, waar de vereniging ook lid van is, want ‘er zal voor deze nieuwe Unie zeker nog een groot arbeidsveld te vinden zijn.’ Deze landelijke organisatie komt er ook. Niet onder de in dit artikel gesuggereerde naam NUVOM, maar vanaf 1930 als de, nog altijd bestaande, FIOM, de Federatieve Instelling voor Ongehuwde Moederzorg.

De gemeente Amsterdam is eind november voornemens om deze winter, ongeacht de weersgesteldheid, opnieuw warme maaltijden te verstrekken. Daar is een grote meerderheid van de gemeenteraad voor. De meningen lopen uiteen over de vraag of je daar dan van tevoren een bon voor moet halen. Wethouder Douwes zegt op deze manier beter te kunnen inschatten hoe groot de vraag is en hoopt te voorkomen dat de gemeente voedsel moet weggooien.
‘Een der vrijzinnig-democraten merkte op, dat deze klieken toch niet naar de beesten behoefden te worden gebracht: men kon er Hulp voor Onbehuisden mee gelukkig maken. Maar die zitten daar toch niet te wachten op de overschotten van de gemeentelijke spijsuitdeeling; die behooren toch elken middag hun eigen pot te koken,’ aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant.

Ook het herstellingsoord in Nunspeet verdwijnt in 1929 als HvO-voorziening van het toneel; in goed overleg met de schenkster verkoopt de vereniging het pand voor ƒ5.000.

Drie medewerkers van het eerste uur, de heren Bennink, Dinse en Niemeyer zijn dit jaar 25 jaar in dienst van HvO.

Buiten eten bij vakantiekamp Saxenheim van Hulp voor Onbehuisden, eind jaren '20

Buiten eten bij vakantiekamp Saxenheim van Hulp voor Onbehuisden, eind jaren ’20

Eind jaren twintig maakt een deel van het personeel van Hulp voor Onbehuisden zich ongerust over de pensioenregeling. Volgens het bestuur is deze regeling daarentegen te ruim, maar laat juist het salaris te wensen over. Medewerkers maken zich ook druk over de vraag of HvO wel in staat zal zijn pensioen te betalen als de daartoe gerechtigde leeftijd wordt bereikt. Het bestuur antwoordt daarop

Bij een vereeniging als de onze, die leeft van de hand in de tand, zonder stamkapitaal, aangewezen op natuurlijk uiterst onregelmatig binnenkomende giften en gaven, aangevuld met subsidie, is men nimmer zeker van den financiëlen toestand.
Al vertoonen de giften de laatste jaren sedert 1921-1922 een neiging tot een niet onbelangrijke stijging, tot meer dan 36%, niemand kan zeggen of dit zoo zal blijven, terwijl ook niemand weet hoe de Gemeente-subsidie ook maar een jaar te voren zal zijn omdat die jaarlijksch wordt vastgesteld.

Poppenkast, HvO, 1929

Poppenkast bij HvO op de binnenplaats van het Oude Buitengasthuis in 1929.

In 1929 bestaat Hulp voor Onbehuisden 25 jaar. Hiertoe wordt een huldigingscomité gevormd, met de burgemeester als ere-voorzitter. Het bestuur besluit dit jubileum aan te grijpen voor een grote geldinzamelingsactie en geeft de propagandist van de vereniging, L.C. Koenen, de opdracht dit uit te werken. De feestelijkheden staan gepland voor de periode rond oud en nieuw, maar uiteindelijk blijkt de voorbereiding voor het zilveren jubileum aan de korte kant te zijn en volgt pas in april 1930 een jubileumfeest voor het publiek.

In december doet Honing opnieuw een beroep op het publiek om Hulp voor Onbehuisden te steunen. De vraag is bescheiden, HvO vraagt onder meer om afgedragen kleren die overtollig zijn. In De Telegraaf legt Honing nog eens uit wat Hulp voor Onbehuisden doet en waarom steun op zijn plaats is.
‘We hebben een vlottende bevolking. Een groot deel der mannen is wel in het internaat, maar verscheiden zijn zwerflustig, en na enkele dagen gaan ze weg. De tobberds. vroeg oud gewordenen, blijven, doch er zijn er ook, die, als ze een gaatje zien, weer verdwijnen. Soms komen ze weer terug, omdat “het niet gong,” zooals ze zeggen. Deze mannen zitten nog niet werkelijk te paard, en men kan hen dan ook niet gereclasseerd beschouwen.’

Voor daklozen zijn straatlantaarns kerstlichten, tekening van Joop van den Berg in het maandblad van Hulp voor Onbehuisden, december 1929

Voor daklozen zijn straatlantaarns kerstlichten, tekening van Joop van den Berg in het maandblad van Hulp voor Onbehuisden, december 1929

Jo Spier, kerst bij HvO, 1929

Jo Spier, kerst bij HvO, 1929

Volgens Honing is gedragen kleding juist goed voor de bevolking van Hulp voor Onbehuisden. Nieuwe kleding wordt door bewoners onmiddellijk verkocht en de instelling herbergt veel kleermakers die de tweedehands kleding goed kunnen herstellen.

Op 27 december publiceert De Telegraaf een tekening getiteld ‘Onder den kerstboom in Hulp voor Onbehuisden,’ waarop we een dakloze zien slapen onder een kerstengeltje dat aan een kerstboom hangt.

In het Observatiehuis voor jongens van HvO worden in 1929 achttien Joodse minderjarigen verpleegd. ‘Sedert het einde van het verslagjaar wordt den verpleegden aldaar ritueel eten verstrekt,’ aldus het Nieuw Israëlitisch weekblad.

In 1929 verstrekt HvO in totaal 245.666 verpleegdagen en nachtverblijven, gemiddeld 673 per dag.

 


vorige <<              >> volgende

 

Reacties ( 0 )

    Geef een reactie

    Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *